Joods Maastricht

Website van de Joodse Gemeente Maastricht

Zeker orthodox, hè? - Dagboek van een opperrabbijn

Omdat mijn dagboek een dagboek is en niet een column over een bepaald onderwerp, word ik geacht gewoon te schrijven wat ik als rabbijn in Coronatijd meemaak. Een bestuurder verzocht mij om voor zijn Joodse Gemeente het dagboekachtige een keer per week eruit te halen en van het dagboek een column te maken. Een goed idee! Ga ik dus doen.

 

Maar hij had nog een advies, hij vond namelijk dat in de dagboekversie het ontbijt-op-bed opgediend door mijn vrouw, ontbrak. Hij had een punt, alleen moet ik eerlijk bekennen dat dat ontbijt-op-bed niet alleen ontbrak in mijn dagboek, maar ik krijg nooit ontbijt-op-bed! Reden: mijn zorgzame echtgenote misgunt mij dat zeker niet, maar het is lastig omdat ik ’s morgens voor het ochtendgebed niet behoor te eten! Ik zou dus om dat ontbijt-op-bed te kunnen krijgen eerst moeten opstaan, aankleden, gebedsriemen en gebedsmantel, ca. 45 minuten gebed, dan weer snel mijn kleren uit en pyjama aan, terug naar bed en dan vrouwlief laten opdraven voor het ontbijt-op-bed.

 

Neen, ik heb wel iets anders dat ik moet vermelden en waarvoor ik mijn innige dankbaarheid tot uitdrukking wil brengen en dat is: het onderhoud van de tuin. In deze coronaperiode ontvang ik mijn gasten, die naar ons huis komen voor een bespreking of een interview, niet in huis maar in de tuin. En die tuin is zo mooi, zo natuurlijk, zo geweldig rustgevend ingericht, dat ik mij in coronatijd in het Gan Eden - het Paradijs waan. En dat Paradijs is hand made in Amersfoort door mijn dierbare levenspartner, Blouma.

 

Maar los van de paradijselijke tuin: ja, mijn echtgenote en ik hebben een rolverdeling met primaire verantwoordelijkheden. Maar speciaal in deze coronatijd, waarin ik veel en veel meer vanuit huis werk, vloeien die verantwoordelijkheden in elkaar over. Maar dat ontbijt-op-bed: voor mij niet acceptabel. Het doet me denken aan die echtgenoot in zijn fauteuil met zijn voeten op een bijzetbankje, een dikke sigaar en vrouwlief komt zijn sinaasappel schillen. Los van de vraag wat mijn echtgenote hiervan zou vinden, is dit voor mij onacceptabel. Wij zijn partners is een gecompliceerd bedrijf dat “het gezin” als bedrijfsnaam draagt. En partners zijn gelijkwaardig. Vandaar dat ik mijn echtgenote ook nooit “mijn vrouw” noem. Voor mij klinkt dat “mijn vrouw” erg overheersend. Neen, ik spreek over “mijn echtgenote” omdat voor mijn gevoel echtgenote beter recht doet aan de verhouding zoals die in een huwelijk behoort te zijn.

 

In de Nederlandse taal spreken we van man en vrouw. Twee woorden die niets met elkaar gemeen hebben. In het Hebreeuws is er voor man en vrouw slechts één woord. Als we een man bedoelen is dat woord mannelijk verbogen en de vrouw krijgt de vrouwelijke verbuiging van datzelfde woord. Het straalt gelijkheid uit. En daarom noem ik mijn Blouma nooit mijn vrouw. Zij is mijn echtgenote en ik haar echtgenoot. We zijn precies hetzelfde, voltrekt gelijkwaardig, alleen anders verbogen. En dus voor mij geen ontbijt-op-bed omdat ook zij dat van mij niet krijgt.

 

In de paradijselijke tuin had ik een bespreking. Ik ontving een e-mail van twee hoogleraren, beiden emeritus. Zij gaan een boek schrijven over onderwijs, vorming en kennisoverdracht. Of ik bereid was om een bijdrage te leveren. Leek me leuk, alleen lastig. Ik wist niet goed wat ze bedoelden, wat willen ze met hun boek bereiken en dus stelde ik voor: kom naar onze rustgevende tuin en interview mij, maak er een artikel van en ik zal het daarna van commentaar voorzien, aanpassingen maken en dan komt er te staan wat past binnen jullie uitgave en mijn visie.

 

En aldus geschiedde. Twee deskundigen die bezorgd zijn over de praktische uitvoering van artikel 23 van de Grondwet: Vrijheid van Onderwijs en vrijheid van Godsdienst. Beide waren onderwijsdeskundigen uit het onderwijsveld. Dus geen theoretici, geen kamergeleerden. En beide fervente voorstanders van kennisaanbieding op alle fronten. Ook kennis aanreiken waarmee zij het inhoudelijk vanuit hun levensbeschouwing oneens zouden kunnen zijn. Helemaal op mijn lijn! Mijn kinderen mogen zondermeer de Theorie van Darwin kennen. Sterker nog, ik vind dit een vereiste. Maar, en daar komt het lastige en de discussie: Hoe breng ik die kennis over? Neutraal? Wat is neutraal en wie bepaald dat? Meer en meer wordt seculier als neutraal beschouwd. De term “openbaar onderwijs” wordt algemeen gezien als neutraal en dus seculier. Maar klopt dit? Of is hier (ook) sprake van beïnvloeding? En is beïnvloeding per definitie verkeerd?

 

Regelmatig wordt mij gevraagd hoe ik mijn eigen kinderen heb opgevoed: “Zeker orthodox, hè?”. Het is niet eens een vraag, maar een negatieve stelling. Ik als rabbijn heb mijn kinderen zeker geïndoctrineerd, zo is de ondertoon van die vraag. Wat is mijn antwoord, hoor ik u vragen. “Ja, ik heb mijn kinderen een orthodox Joodse richting aangeven en hoop dat ik dat niet dwangmatig heb gedaan”. En dan mijn wedervraag, zoals te verwachten van een rabbijn: “Maar, mevrouw, hoe hebt u uw kinderen opgevoed?” En dan volgt het clichéantwoord: “Ik laat mijn kinderen vrij”. Beste lezer van mijn dagboek: Vrij is ook een richting en ook die richting kan verdraaid dwangmatig zijn.

 

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks.