Rabbijn op Malieveld. Dagboek van de Opperrabbijn 3 augustus 2022

Jezidis herdenking We staan aan de vooravond van Tisja Be’aw, de negende van de Joodse maand Aw. De meest trieste dag op de Joodse jaarkalender. We herdenken dan de vernietiging van de Tempel in Jeruzalem waarmee de ballingschap, waarin we ons nog steeds bevinden, begon. En dus was mijn aanwezigheid op het Malieveld vandaag, zes Aw,  qua datum goed getimed!  Mijn dag stond geheel in het teken van herdenken. Weliswaar geen herdenking die iets te maken heeft met onze Joodse geschiedenis, want het betrof de herdenking van de “Jezidi-genocide in 2014”.  En dus hierbij voor u, trouwe dagboek-lezer: mijn toespraak.  En voor mij: een vrije dagboek-dag!

 

Vrienden,

Ik betreur het dat ik ben uitgenodigd om hier te spreken, omdat de aanleiding die heeft geleid tot deze herdenking, dit samenzijn, door en door triest en afkeurenswaardig is. De aanleiding had er nooit mogen zijn.

Onschuldigen werden bruut uit hun huizen gerukt, afgevoerd, vermoord of als slavinnen verkocht en verhandeld. De overlevenden zijn voor hun hele leven beschadigd, diep getraumatiseerd, maar tenminste zijn ze fysiek vrij. Zij zijn vrij, maar vele duizenden zitten nog steeds in wrede slavernij en zijn slachtoffer van dagelijks misbruik, mishandeling en ook van gewone handel, business.

 

Waarom is er zo weinig bekend over de genocide van 2014? Waarom wordt er nauwelijks in de media aandacht aan besteed? Waarom moeten wij hier anno 2022 aandacht voor vragen? Waarom zal een doorsnee leerling van onze Nederlandse geciviliseerde onderwijsinstellingen niet weten wie of wat Jezidi’s zijn?

Is het omdat het kwantitatief allemaal ‘wel meevalt’? Het betreft geen honderdduizenden? Of is het een ver-van-mijn-bed show, terwijl het topografisch bezien, niet eens zo ver weg is!?

Of misschien kijken we weg omdat het ons niet in onze eigen portemonnee raakt, de gasprijzen niet verhoogd werden en zelfs de benzine werd geen cent duurder! Toen in de Verenigde Staten van Amerika één zwarte medemens door de politie dusdanig gruwelijk werd behandeld dat de man stikte (onacceptabel!) hielden de media niet op met aandacht. En hier, een ver-weg-volk dat louter en alleen omdat ze zijn wie ze zijn en wie ze willen blijven zijn, wordt op beest onwaardige wijze vervolgd…het raakt ons nauwelijks, het blijft bijna onbekend.

Voor overlevenden die allen familieleden hebben die het niet hebben overleefd, die allen familieleden hebben van wie het nog steeds onbekend is hoe en waar ze zijn, voor die overlevenden gaat er geen dag voorbij zonder zorg, verdriet, afschuw en hoop. Onze Volksvertegenwoordigers in de Tweede Kamer hebben de genocide erkend, dat is fijn, maar er blijven bij de overlevenden gapende wonden die ongeneeslijk zijn.

 

En daarom sta ik hier in Den Haag op het Malieveld en ben ik dankbaar met de uitnodiging om hier te mogen spreken.

De Joodse filosofie geeft aan dat het bezoeken van een zieke bijdraagt aan zijn genezing. Jullie allen, Jezidi’s, moeten welhaast ziek zijn, zwaar beschadigd. Als niet lichamelijk, dan zeker wel geestelijk! Want zo’n geschiedenis hebben en er niet door geraakt worden, normaal blijven alsof er niets is gebeurd, nog steeds gebeurt en ook morgen weer gebeurt, is onmogelijk en volstrekt niet normaal. Beschouw mijn aanwezigheid als een teken van solidariteit, een ziekenbezoek.

Wij Joden weten al eeuwen en eeuwenlang wat vervolging inhoudt, voor de direct vervolgden en voor hun nazaten, de second generation. Want zieke ouders, excuseer mijn taalgebruik, geven hun kinderen bewust, maar meestal onbewust, een lastige opvoeding.

 

Het Jodendom doet niet aan bekering. Wij gaan uit van een multiculturele samenleving, een wereld waarin mensen van elkaar mogen verschillen. Maar allen zijn we wel schepselen van een en dezelfde G’d, en allen hebben we onze eigen manier om die gezamenlijke G’d te dienen. De mensheid als geheel is vergelijkbaar met een uniek individu. Ieder heeft hersens, ledematen, een hart, voeten, benen. Ieder heeft ook zijn eigen specifieke taak.

Een van de taken die wij als het Joodse volk hebben is om een bijdrage te leveren aan de brede samenleving, zonder de ander te willen bekeren.

Onze Joodse feest-, treur- en gedenkdagen zijn bijna allemaal interne aangelegenheden, we willen niet assimileren, we willen onszelf blijven, gelijk de Jezidi’s. Bijna allemaal intern, want gedurende het Chanoekafeest, acht dagen lang, door de eeuwen heen, zelfs onder de meest miserabele en barre omstandigheden, wordt er voor het raam, voor de buitendeur of op openbaar terrein, zichtbaar voor iedere voorbijganger, de Menora, de achtarmige kandelaar, aangestoken als het buiten donker is. Licht brengen in de ons omringende geestelijke duisternis.

 

Prof. Presser, de historicus, schrijft in zijn beroemde geschiedenisboek ‘Ondergang’ over de Tweede Wereldoorlog in Nederland: slechts 5% van de Nederlanders heulde met de vijand, slechts 5% bood actief verzet tegen de nazi’s en 90% zag en liet het gebeuren! Zo gaat het helaas te vaak in de wereld. Negentig procent kijkt toe en laat het gebeuren en wordt uitsluitend wakker als er sprake is van persoonlijk verlies.

 

Wat er met de Jezidi’s is geschied raakt geen van ons Nederlanders in onze portemonnee en dus bloeit weelderig de neiging om weg te kijken.

En om mijn afschuw kenbaar te maken tegen dat wegkijken, sta ik hier. Want als er een wond is aan een van de menselijke organen of ledematen, dan lijdt het hele lichaam.

Verantwoordelijkheid voor elkaar, tolerantie, wederzijds respect, de ander willen zien en vooral niet wegkijken.

En als een enkeling dan plotseling, als er een beroep op hem wordt gedaan, aangeeft dat hij te klein is om in die grote corrupte duistere wereld verandering te brengen: kijk dan naar de Menora, de achtarmige kandelaar die als het buiten intens donker is wordt ontstoken, en wees ervan doordrongen dat een heel klein zuiver vlammetje een gigantische hoeveelheid duisternis kan verdrijven.

 

Ik probeer met mijn aanwezigheid hier vandaag bij deze herdenking van de genocide in 2014 dat kleine vlammetje te zijn en vooral niet weg te kijken.

 

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl