Slavernij in Egypte, in Auschwitz, in Mariupol. Dagboek van de Opperrabbijn 19 april 2022

Pesach heeft mij persoonlijk tot nu toe veel rust gegeven. Ik voel me ontspannen. De eerste twee dagen geen e-mail, geen telefoon en zelfs geen Whatsapp. Slaven waren wij bij de Farao in Egypte. Die slavernij speelde niet uitsluitend toen, maar ook nu. Verslaafd zijn aan je werk, aan gokken, aan eigen positie voortdurend versterken, aan…aan…Vult u zelf maar in. En dus voel ik me bevrijd van de dagelijkse sleur en weet me uitgerust.

 

Maar een mens kan ook verslaafd zijn aan vakantie en de medemens in nood moet maar even wachten, want ik heb geen tijd. In een ziekenhuis, en mijn gedachten dwalen af naar mijn 38 jaar Sinai Centrum, is het normaal dat na diensttijd de dokter geen dienst heeft. Je gaat hem natuurlijk niet thuis bellen. Maar mijns inziens mag dit niet gelden voor een rabbijn of een geestelijke van een andere denominatie. Geestelijke mag volgens mij geen baan zijn, maar moet een roeping blijven. En dus geen ‘uitsluitend bereikbaar tussen 9:00 en 17:00 uur’ of ‘wegens vakantie gesloten’.  

 

Voor bijscholing moet er natuurlijk wel tijd zijn. En zo beleef ik deze Pesach periode. Opladen. Extra kennis vergaren om daarmee na Pesach er weer beter tegenaan te kunnen. Niet alleen qua kennis om een groter reservoir te hebben voor sjioerim, lezingen en toespraken, maar ook om zelf sterker te zijn, beter te kunnen nadenken en daardoor beter met mijn eigen problemen te kunnen dealen en beter anderen bij te kunnen staan.

 

Maar ondertussen gaat het gewone toch gewoon door. Zojuist een telefoontje uit het buitenland van een gewaardeerde collega. Hij zit met een probleem waarop hijzelf geen antwoord heeft. En dus heeft hij besloten om drie rabbijnen tegelijk aan de telefoon te krijgen (dat op zichzelf kan al problematisch zijn), zijn probleem voor te leggen en dan de meerderheid te volgen.

 

Een email uit de Verenigde Staten over een familielid dat in de oorlog in Nederland een natuurlijke dood was gestorven en begraven ligt op de begraafplaats van een Joodse Gemeente. De begraafplaats is inmiddels bekend, maar de precieze plaats van het  graf niet. En nu wil de familie een grafzerk plaatsen, maar de vraag is dan dus: waar?  Onbelangrijk? Inderdaad, de wereld geschiedenis zal door het plaatsen van een grafzerk 80 jaar na overlijden niet veranderen. Met de catastrofe in Mariupol valt het niet te vergelijken, maar toch: ook dit verdient aandacht en kan emotioneel van groot belang zijn voor de nabestaanden die pas nu ermee op de proppen komen (en wellicht ook voor de zielenrust van de overledene). Waarom niet eerder op zoek gegaan naar het graf? Waarom niet eerder wakker geworden?  Die vraag is niet aan mij om te beantwoorden. Mijn taak is: helpen en niet oordelen en al helemaal niet veroordelen.

 

Mariupol blijft door mijn hoofd gonzen. Waarschijnlijk omdat ik er vele keren ben geweest, de mensen ken en zeer bevriend ben met Mendel Cohen, de rabbijn van wat eens Mariupol was. Ik zie mezelf weer staan bij dat massagraf uit WO II. Tien meter breed en elf en een halve km lang. Ja, u leest het goed.

In het Joodse Museum in Moscou, waar een aantal van mijn Europese collega’s door Poetin persoonlijk werden rondgeleid, werd ruime aandacht besteed aan de massagraven in Oekraïne en de wreedheden van de Oekraïners in de WO II. Toen ik enige dagen voor het uitbreken van de huidige oorlog in Kiev aanwezig was bij de herdenking van Babyn Yar, hoorde ik van de diverse Oekraïense sprekers niets over wreedheden van Oekrainers. Het waren nagenoeg uitsluitend de nazi’s die de honderden massagraven op hun geweten hadden. De waarheid zal wel ergens in het midden liggen, of misschien ook niet. Oorlog is afschuwelijk. Mariupol komt weer in mijn gedachten. Geen water, geen warmte, geen eten.

 

In de Hagada van Jonathan Sacks las ik over slavernij een quote van de bekende Joodse schrijver en overlevende van Auschwitz Primo Levi. Toen de nazi’s begrepen dat de Russen dichtbij kwamen hebben ze Auschwitz ontruimd en begon de beruchte Dodenmars. De zieken en nagenoeg gestorvenen bleven achter. Een paar van hen gingen de ramen dichtmaken als bescherming tegen de ijzige kou. Met olie hebben enkelingen, die nog konden lopen, vuur gemaakt om warmte te creëren. En toen gebeurde er iets heel bijzonders. De paar mannen die probeerden de anderen te helpen werden bedankt met een extra stukje brood. Iedereen stond een stukje af van zijn eigen schamele rantsoen. Toen was de bevrijding aangebroken, volgens Primo Levi. Tijdens de slavernij dacht ieder uitsluitend aan zichzelf. En waar mogelijk pakte je, om te overleven, een stukje brood bij de ander weg. Dat was het normaal van de slavernij en de afschuwelijke honger: overleven! Nu anderen van hun eigen stukje brood afstonden aan anderen, nu het normaal weer normaal werd, was het begin van de vrijheid aangebroken…Dit las ik in de Hagada. Dit geschiedde meer dan 3300 jaar geleden, ook tachtig jaar geleden. Hoe zal het nu zijn in de schuilkelders in Mariupol? Ik durf er niet aan te denken.

 

Gedurende de coronaperiode en ook daarna houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken op www.niw.nl