De wereld is als een smalle brug. En de essentie is om niet te vrezen. Dagboek van een Opperrabbijn 13 april 2021

Of het nu het gevolg is van de uitgave van mijn “Dagboek van een Opperrabbijn” of door alle dagelijkse dagboeken op www.niw.nl of anderszins in de publiciteit komen, maar ik word vaker en vaker benaderd voor problemen van algemene aard.

  • “Geachte Opperrabbijn Jacobs, Weet u misschien hoe om te gaan met het volgende? Mijn werkgever is een tijd geleden overleden. Met hem had ik een prima verhouding. Maar zijn opvolger heeft geen enkel oog voor menselijke waarden en zegt dat ik blindelings moet doen wat hij opdraagt. Kritiek, kritiek, kritiek! Ik draai er helemaal van door, maar dat kan die nieuwe baas helemaal niets schelen. Wat zou ik het beste kunnen doen in deze enorme conflictrelatie en wantrouwen? Ontslag nemen? De ziektewet ingaan?” Ik heb hem aangeraden door te gaan en niet te zwichten.

  • Ik krijg een telefoontje uit het buitenland. Een en al gestotter komt uit mijn telefoon. Met gigantisch veel geduld probeer ik te ontcijferen wie me belt en waarom. Zonder overdrijving begreep ik pas na een kwartier wie ik aan de telefoon had. Een weduwe van begin zeventig. Haar moeder, die dus al ver in de negentig is, woont in Nederland. Zij is bezorgd over haar moeder. Als haar iets overkomt, wat gaat er met haar gebeuren? En zij had gehoord dat in Nederland euthanasie een vanzelfsprekendheid is. Zij, de enige dochter, heeft vrij recentelijk een beroerte gehad. Kan niet goed spreken en al helemaal niet typen. Of ik kan spreken met de leiding van het ziekenhuis waar haar moeder onverwacht is opgenomen, want dat lukt haar niet. Uiteraard heb ik dat gedaan.

  • “Ik volg uw dagboek al een tijdje... heel herkenbaar, alertheid zeker geboden, zeker nu er een aantal antisemieten in de Tweede Kamer zijn gekozen, en het lijkt of het merendeel van de samenleving weer blind en doof is. Een groter gevaar op termijn dan Covid, want er is geen vaccin tegen antisemitisme opgewassen. Wat zou ik kunnen betekenen, want ik ben diep bezorgd. Kan ik nog wel in dit land blijven wonen?” Relativerend heb ik hem uitgelegd dat onze Overheid antisemitisme echt niet tolereert.

  • Een telefoontje van een jong gezin vanaf Schiphol. Ze staan gepakt en gezakt om op aliya naar Israel te gaan. Huis verkocht, er is geen weg terug. Uitsluitend een prachtig ogende toekomst. Maar door een typefoutje kloppen de sloot aan papieren niet meer. Hoe ze het ook uitleggen, ze worden niet toegelaten tot het vliegtuig. Ik heb ze nog nooit ontmoet, maar weet van hun bestaan. Zij ook van het mijne. En dus klim ik in de telefoon en inderdaad, hoe het is gelukt en of het iets te maken heeft gehad met mijn alarmbellen weet ik niet, maar een whatsapp laat me later op de dag weten: we zijn aangekomen in het Beloofde Land.

En terwijl ik dit schrijf hoor ik op de achtergrond mijn Blouma geboeid luisteren naar uitzendingen vanuit Israël vanwege Jom Hazikaron. De dag voorafgaande aan Jom Ha’atsmaoet, de Onafhankelijkheidsdag van de Staat Israël. Er klinken namen van de jonge mannen, net geen kinderen meer, die sneuvelden in de strijd om het behoud van ons Israël. Ik voel me bijna schuldig dat ik hier in Nederland zit. In mijn herinnering komen de beelden uit de Jom Kippoer oorlog weer naar boven. In Faïd, redelijk diep in Egypte, ben ik geweest, op vele legerplaatsen in de Sinai woestijn, op de fronten, op de plaatsen waar veel soldaten gesneuveld waren. Met vijfentachtig rabbinale studenten werden we naar de fronten gevlogen. Waar we landden weet ik niet meer, maar op dat geïmproviseerde legervliegveld stonden tientallen legerjeeps op ons te wachten. Met z’n tweeën in een jeep met een soldaat als beveiliger, een soldaat als chauffeur, voorzien van helm en met de opdracht dat als we in gevaar zouden geraken we meteen de jeep moesten verlaten en ons zouden moeten verspreiden in de woestijn.  De verslagenheid die we aantroffen in de kampementen waar een hoog percentage van de soldaten was gesneuveld, zal ik nimmer vergeten. Wij boden geestelijke bijstand in persoonlijke gesprekken en zongen en dansten met de groep. Het lied dat toen geschreven werd en gezongen voordat onze jongens het Suezkanaal zouden moeten oversteken komt in mijn gedachten boven: “Kol Haolam koelo gesjer tsaar me’od – De hele wereld is als een smalle brug. En de essentie is om niet te vrezen……” Ik hoor het ze zingen, onze soldaten op de avond voordat ze die smalle brug zouden moeten oversteken. Achter hen de dorre onafzienbare woestijn en vóór hen de gigantische Egyptische legerschare. Velen van hen lieten hier voor ons het leven. Hen gedenken wij vanavond bij de aanvang van Jom Hazikaron.

 

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op
https://niw.nl/category/dagboek/