De vooruitziende blik van mijn Blouma. Dagboek van een Opperrabbijn 11 februari 2021

Mijn regelmaat heeft door een jaar corona zijn regelmatigheid totaal verloren. Het moge dan zo zijn dat het werken per computerbeelden een dankbare toevoeging is aan het ‘bereiken van mijn schaapjes’, mijn dagritme is helemaal veranderd. Uiteindelijk denk ik niet dat dat goed is, maar het komt zoals het komt. Op kantoor ben ik al maanden niet meer geweest, maar ik begrijp dat bijna niemand meer vanuit kantoor werkzaam is. Ik heb wel duidelijk andere ondersteuning gekregen. Was het tot corona uitsluitend rabbijn Spiero vanuit het rabbinaatskantoor, nu is het mijn assistent/secretaresse (die o.a. dagelijks mijn dagboeken voor verzending controleert), de redactie van www.cip.nl (de grootste christelijke website die maandenlang mijn dagboek naar 35 duizend adressen verstuurde), Micky Cornelissen van het NIW (die de dagboeken plaatst op www.niw.nl) en Johan van der Walle, de beheerder van de website van de Joodse Gemeente Limburg (die mijn  dagboek via de diverse facebooken verspreidt). O ja, nieuw is ook mijn contact met de Joodse Omroep (Joods bij de EO) en natuurlijk niet te vergeten het Joods Cultureel Kwartier, de uitvinder en initiator van “Opperrabbijn in Coronatijd”. Maar daarnaast heb ik mijn Advisory Board (met wie ik kwesties als Ysselsteyn bespreek) en de Stichting Beheer Fonds Opperrabbijn Jacobs (die mijn onkostenvergoeding regelt en dus eigenlijk mijn baas is, hoewel de enige en echte Baas uiteraard Boven is). Maar er is nu nog een werkgever/baas bijgekomen die over een scala aan medewerkers beschikt: Het Sinai Centrum. U leest het goed: “het Sinai Centrum”. Nadat ik vanaf 1975 veertig jaar lang werkzaam mocht zijn geweest bij wat eerst heette de JGGZ – Joods Geestelijke Gezondheidszorg – en later werd omgedoopt (christelijke invloed?) in het Sinai Centrum, ben ik weer van stal gehaald en kom ik vanaf maandag weer (parttime) in dienst. Het zal echter niet voor een lange periode zijn maar betreft een tijdelijke waarneming. Nou ben ik bekend met het “tijdelijke” van bepaalde posities binnen Joods Nederland. Toen Opperrabbijn Berlinger zl. mij vroeg in 1981 om zijn assistent te worden en mij te benoemen tot rabbijn van het toenmalige Opperrabbinaat Utrecht, heb ik hem voorgesteld om mij te benoemen tot ‘waarnemend’ rabbijn. Na een jaar werd ‘waarnemend’ er stilletjes afgehaald en nauwelijks merkbaar werd het fundament gebouwd voor mijn huidige positie. Nadat Opperrabbijn Berlinger, mijn zeer gewaardeerde voorganger, overleed, precies een jaar nadat hij het “waarnemend” van mijn rabbijn had verwijderd tijdens een indrukwekkende sjoeldienst in Amersfoort in 1984, kwam “waarnemend” weer terug, maar nu werd het “waarnemend” opperrabbijn. Na een proeftijd van drieëntwintig jaar (u leest het echt goed!) werd ik in 2008 benoemd en behoorde het “waarnemend” voor mij voorgoed tot het verleden. Maar nu neem ik dus weer waar met dankbaarheid en tegenzin. Met tegenzin omdat ik hoop dat de huidige functionaris spoedig weer van de partij zal zijn. En met dankbaarheid omdat het zo mooi is om mensen, die helaas gebukt gaan onder zware problematiek, tot steun te kunnen zijn. Als opperrabbijn ben je bezig met politiek, representatie en sta je steeds vooraan. Ik verwacht dat u, beste lezer, denkt dat ik dat wel mooi vind en het zie als een soort bekroning aan het eind van een carrière. Mis! Ik heb ook niet gesolliciteerd om opperrabbijn te worden, nooit aan gedacht. Door mijn zeer gewaardeerde voorganger, fel tegenstander van het chassidisme waartoe ik mezelf reken, ben ik erin gesleept. Toen het Sinai Centrum te Amersfoort 25 jaar bestond en opperrabbijn Berlinger reeds in een rolstoel zat maar honderd procent bij geest was, heeft hij mij publiekelijk genoemd als zijn opvolger. We hebben daarna nog overlegd over de vraag van een soort deeltijdfunctie, waarbij ik wel het pastorale, Halagische en onderwijs gedeelte zou overnemen, maar voor het naar buiten treden en ook voor gioer (tot het Jodendom toetreden) een ander. Maar Berlinger was er erg duidelijk in: “Mijnheer Jacobs, het is alles of niets. En ik adviseer u alles!” U begrijpt dus, beste lezer, dat ik dankbaar ben nu toch weer, hoewel tijdelijk, naast het naar-buiten-treden, weer intensiever qua inhoud en qua tijd mensen mag gaan helpen. Wat ik desondanks betreur is corona. Door corona zal ik waarschijnlijk geen direct contact kunnen hebben, zullen gesprekken via zoom moeten gaan hetgeen een deel van de spontaniteit, van de nabijheid, verzwakt.

 

Aan het begin van het Coroniaansche tijdperk, heb ik een nieuwe laptop aangeschaft. Een peperdure, maar bijzonder functioneel. Ik kon toen nog niet voorzien dat die computer mijn “waarnemend” kantoor zou worden en dus echt geen overbodige luxe. Voor mijn verjaardag, gisteren, had mijn Blouma een prachtige nieuwe ergonomische bureaustoel gekocht, waardoor ik beter achter mijn toetsenbord kon gaan zitten. Maar ook hier speelt weer de onvoorziene voorzienigheid. Want zat ik tot voorheen primair achter het toetsenbord en was het scherm een bijkomstig hulpmiddel, vanwege mijn waarnemende Sinai functie krijgt ook mijn peperdure laptop een nieuwe taakomschrijving. De nadruk komt te liggen op het beeldscherm en het toetsenbord moet aan importantie inleveren. Ik moet begrip uitstralen, vertrouwen, optimisme en vooral rust. En dus was die nieuwe bureaustoel, waardoor ik letterlijk anders tegen het scherm kan aankijken en dus anders wordt gezien, weer eens het bewijs dat vrouwen, en dus zeker ook mijn Blouma, beschikken over een soort zintuig dat niet altijd meteen te vatten is, maar wel van een vooruitziende blik getuigt.

 

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks.