Een rabbijn moet ook politicus zijn. Dagboek van een opperrabbijn

Lig ik net even bij te komen van de hitte, krijg ik een telefoontje. Een mij onbekende, die ik naar het schijnt ooit een keer tegen het lijf ben gelopen toen ik op vliegveld Ben Gurion in de rij stond voor paspoortcontrole, wil van mij een verklaring dat zijn opa, vergast in Auschwitz, Joods was. Op mijn vraag waarvoor hij dat nodig heeft vertelt hij mij dat hij jaarlijks in Israël, waar hij dus kennelijk woonachtig is, $100 moet betalen voor een verblijfsvergunning en hij vindt het belachelijk dat hij dat moet betalen ‘omdat zijn opa omwille van Israël is vermoord’.

 

Normaliter raak ik niet geïrriteerd, maar dit schoot toch echt even in het verkeerde keelgat, na mijn niet afgemaakte dutje. Zijn opa, als het waar is wat hij verkondigt, is vermoord omdat hij Joods is en met de staat Israël, die toen echt nog niet bestond, heeft dat niet van doen. Bovendien is ook mijn familie vermoord, heb ik hem nogal onvriendelijk medegedeeld.

Wat gebeurt hier? Een mij onbekende belt me op, woont niet in mijn rabbinale ressort, is geen lid van een van mijn Nederlandse Joodse Gemeenten en wil een verklaring dat zijn opa Joods was. Vraag 1: was zijn opa Joods? 2: is de persoon die hij zijn opa noemt, inderdaad zijn opa? 3: waarvoor wil hij die verklaring hebben? 4: waarom kiest hij mij uit om die verklaring te schrijven terwijl hij aangeeft in Israël te wonen en dus om de hoek bij het plaatselijke rabbinaat ook zo’n verklaring kan vragen? Nou kan ik me voorstellen dat u, mijn dierbare dagboeklezer, zich afvraagt waarom ik niet braaf zijn verzoek honoreer. Het antwoord is: van tijd tot tijd word ik op een aanvallende en dreigende manier benaderd voor verklaringen. Het is mij echt meer dan eens gebeurd, dat de persoon in kwestie van geen kant Joods was en uitsluitend mijn papiertje wilde hebben om in aanmerking te komen voor een uitkering waarop hij absoluut geen recht heeft.

 

Een voorbeeld (naam en adres zijn bij de redactie bekend, zoals de Telegraaf regelmatig schrijft als ze geen namen willen noemen): een man wil in aanmerking komen voor een WUV-uitkering. WUV staat voor Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers. Hij zegt Joods te zijn en zijn ‘duikouders’ hebben hem geadopteerd. Maar na maanden en maanden speurwerk, een detective is er niets bij, heb ik kunnen bewijzen dat het verhaal een totaal verzinsel is. Er klopte aantoonbaar niets van. Pure oplichting. Maar ondertussen heb ik wel de nodige vijanden dankzij hem gekregen omdat ik zo ‘ultraorthodox’ ben en dus ‘zeer intolerant’ en daarom deze stumper weiger te erkennen. De WUV-uitkering heeft hij dan ook niet gekregen, maar nog wel Fl.5000 van Maror omdat een bekende Joodse persoonlijkheid ‘uit medelijden’ een briefje heeft geschreven dat hij wel Joods zou zijn. Ach, redeneerde de bekende Joodse persoonlijkheid, als je iemand kan helpen, waarom dan niet….en Maror, jaren en jaren geleden, controleerde niet en heeft mij bewust niet bij deze kwestie betrokken, terwijl bij vele andere zaken ik wel degelijk om advies werd gevraagd, juist bij dit soort twijfels. Hoe ik weet dat ik er bewust buiten ben gehouden? Ook in Joodse kringen is geen gebrek aan lekkages.

 

Waarom deel ik dit eigenlijk met u, vraag ik me af. Er zit geen les in, geen boodschap. Het is wel een deel van mijn dagboek, omdat het me vandaag bezighield. Maar los hiervan. Een rabbijn is eigenlijk geen geestelijke. Van huis uit is een rabbijn een jurist. De opleiding is er een in Joods Talmoedisch recht, daarin heb ik mijn examens gedaan. Maar na dat examen en het verkrijgen van de rabbijnen -titel kan de rabbijn als theoreticus verder gaan. Hij wordt leraar of directeur van een Talmoed Hogeschool, zoals een van mijn kinderen. Of hij kan puur in het research gaan, publiceren, zoals mijn oudste schoonzoon. Of proberen een aanstelling te krijgen als rabbijn in een Joodse gemeente. Dan zal hij zich zeker ook pastoraal moeten inzetten, gelijk een geestelijke van een andere denominatie. En met politiek, binnen en buiten de gemeenschap, zal hij moeten omgaan. Denk ook aan representatie, want de rabbijn is vaak het gezicht van de gemeenschap.

 

Ik heb dus een kleurrijk baantje, vervelen doe ik me bijna nooit. En als verveling dreigt te ontstaan, is er altijd wel weer een klusje waarbij de rabbijn de rotzooi mag opknappen. Voordat ik mijn baantje als rabbijn begon werd mij door een van mijn leraren gevraagd of ik het vijfde deel van de Sjoechan Aroeg goed kende. De Sjoelchan Aroeg is het uit vier delen bestaande wetboek waarin een rabbijn examen moet afleggen om de titel rabbijn te mogen voeren. En dus reageerde ik verbaasd naar mijn leraar met de opmerking dat de Sjoelchan Aroeg uit slechts vier delen bestaat en mij een vijfde deel onbekend is. Hierop legde mijn leraar mij uit, dat er weldegelijk ook een vijfde deel bestaat, ongeschreven. Dat vijfde deel omvat een slechts een enkele regel en die luidt: “hoe ga je om als rabbijn met je medemens.”

Een rabbijn kan een zeer grote geleerde zijn, maar als hij de functie als rabbijn gaat bekleden, als hij aan een gemeenschap wordt gekoppeld, is de meest belangrijke uitdaging: hoe ga je om met je medemens. Of die medemens wel/niet lid is van de Joodse Gemeente, of die medemens wel/niet Joods is. Of die medemens professor is of zwakbegaafd. Een rabbijn moet altijd kunnen omgaan met……uiteraard denkend vanuit de Joodse Traditie. Maar die Joodse Traditie, de Bijbel, is niet het doel. Het is het middel om de Eeuwige te dienen en de naaste lief te hebben. Dat niet bestaande vijfde deel van het Joodse Wetboek is essentieel: hoe ga ik om met mijn medemens! Die les kreeg ik mee voordat ik als rabbijn werd losgelaten in de woelige wereld van onmensen en mensen, van politieke spelletjes en van oprechte religiositeit.

 

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks.