Joods Maastricht

Website van de Joodse Gemeente Maastricht

shiurim

  • Dagboek van een Opperrabbijn, 11 april 2021.

    Waarom is me niet geheel duidelijk, maar vaker dan ooit ontvang ik via mijn e-mail complimentjes over mijn dagboek. Nou dragen zomaar complimentjes weinig bij aan het welzijn van onze samenleving en voor mij persoonlijk hebben die complimenten ook weinig waarde, behalve dan natuurlijk dat het gevoelens van hoogmoed stimuleert (en dat is niet goed!). Anderzijds is het leuk om een complimentje te krijgen en stimuleert dat om verder te gaan en, en dat is voor mij wel erg belangrijk: ik merk dat sommigen een les uit mijn dagboek halen.  Of beter geformuleerd: via mijn dagboeken ben ik anderen tot steun. En dat is de facto mijn hoofdreden om te continueren met het dagboek!

    Ik breng een paar quotes:

     

    Grote dank voor deze column. Zeer herkenbaar voor mij als 2e generatie. Ik schrik iedere keer weer hoe het antisemitisme bijna geruisloos toeneemt en zelfs nu stilletjes de Tweede Kamer is binnengedrongen (Forum voor Democratie). Beangstigend. Ik troost me met de gedachte dat we altijd hebben weten te overleven.  Inquisitie, pogroms, kampen, moorden... we zijn er nog altijd. En -G’d zij dank- we blijven altijd, we zijn niet te verslaan ondanks de ontelbare slachtoffers die ‘onderweg’ vallen.

    Geregeld lees ik uw “brieven in corona tijd.” En meerdere keren ontroert en raakt het me, of tovert het een glimlach bij wat u schrijft. Zo ook van vandaag. Het onzekere van de corona ontwikkeling. Maar meer nog richtte mijn blik zich op toenemende haat, het antisemitisme. En ook merk ik hoe u zich, al schrijvend, omhoog werkt, boven dat negatieve uit. Zoals u schreef: Matzes trotseren de eeuwen. Matzes brood van het geloof. Matzes zijn in verhouding tot een heerlijk vruchtengebakje smakeloos. Maar het heerlijke gebakje is aan bederf onderhevig, terwijl de Matzes onbeperkt houdbaar zijn. Ondanks alles overleven we. Ik voelde het helemaal toen ik uw dagboek las. Ik reken mijzelf tot de minder gelovige Joden, liberaal, maar ik besefte dat de orthodoxe Matzes en alles dat daaraan gekoppeld zit aan Joodse Traditie, ons de eeuwen laat trotseren, ondanks alles.

     

    Gisteren was ik de chauffeur en persoonlijk begeleider van mijn leraar, vriend en collega rabbijn Ies Vorst. We gingen naar Kamp Westerbork. Zesenzeventig jaar geleden werd Westerbork bevrijd. En rabbijn Vorst was een van de sprekers, een van de overlevenden. De NOS had hieraan een uitzending van een uur gewijd. Een indrukwekkende uitzending, ieder detail was doorgenomen en had een plaats. Wat mij vooral trof was (wederom!) de zorgvuldigheid waarmee de sprekers, allen overlevenden, werden omgeven. Voor allen was een persoonlijke begeleider, koffie, thee en een lunch, speciaal voor de Joodse deelnemers zelfs een koosjere maaltijd laten overkomen. Als ik terugdenk schieten de tranen mij in de ogen van dankbaarheid en ontroering. Alle zes sprekers waren indrukwekkend. Maar geen van hen hield eigenlijk een toespraak, geen van hen was voor mijn gevoel een spreker. Het waren stuk voor stuk ‘getuigenissen’ vol emotie, pijn en verdriet. Waarom rabbijn Vorst bereid was de moeizame reis naar Westerbork te maken? Opdat het niet vergeten zal worden! En ook een eerbetoon aan zijn moeder die ergens langs de spoorlijn op een onbekende plaats in een massagraf haar laatste rustplaats heeft gevonden. Twee weken heeft rabbijn Vorst als kind aan het eind van de oorlog rondgedoold in een beestenwagon door Duitsland op weg van concentratiekamp Bergen-Belsen naar een gaskamer om vernietigd te worden, de Endlösung. Op de harde grond van de wagon geslapen, wakker wordend tussen ontzielde lichamen. Het getuigt van grote moed om dat verhaal te vertellen ‘opdat het niet vergeten zal worden’ en ‘om herhaling te voorkomen’. De begeleider van rabbijn Vorst, de medewerker van Westerbork, vertelde ons dat Kamp Westerbork toentertijd beschikte over het grootste en beste ziekenhuis van Nederland! Hoe dat kon? Omdat onder de gevangenen vele Joodse artsen waren. De gezondheidszorg stond dus op hoog niveau. De medische zorg was geweldig! En als je dus genezen was van je ziekte, was je rijp voor transport, geschikt voor de gaskamer.

     

    Helaas is Westerbork meer en meer uit het Nederlands besef aan het verdwijnen. Hoeveel van de huidige jeugd weet nog wat Westerbork was? En dus is het geweldig en van essentieel belang dat Westerbork, Vught, Kamp Amersfoort en ook de talrijke zogenaamde ‘werkkampen’ hun dubieuze verleden blijven vertellen. Want het waren in deze Nederlandse Kampen niet alleen de moffen die het kwaad hebben aangericht.  En misschien dat onze Overheid zich iets minder zorgen moet maken over alles wat te maken heeft met doorgeslagen gender neutraliteit en iets meer met het voorkomen van antisemitisme dat weer bijna helemaal Salonfähig is, alleen verstoppen we het nog onder de sluier van antizionisme.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
    Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op
    https://niw.nl/category/dagboek/

  • Dagboek van een opperrabbijn, 12 november 2020

    Na 5 uur in de auto te hebben gezeten, 403 km te hebben gereden en 11 uur en 10 minuten onderweg te zijn geweest, was ik dan eindelijk redelijk uitgeput weer thuis. Waar was ik? Eerst in Ysselsteyn (u leest het goed!). De Duitse begraafplaats waar die moordenaars liggen (maar zeker niet rusten). Daarna naar Den Haag naar de Ambassade van Israël. Toen nog even, gezien ik toch in Den Haag was, een bezoekje aan de heer Dirk Brengelmann, Botschafter van de Deutsche Bundesrepublik.  En daarna gewoon weer naar huis. Niet slim gepland, hoor ik u denken. U heeft gelijk, maar mijn rabbinale leven is nauwelijks te plannen. Nadat ik reeds geregeld had (een chauffeur) om toch eens stiekem te gaan kijken wat er wel of niet waar is van Ysselsteyn, kreeg ik een dringend verzoek om aanwezig te zijn in Den Haag in de Ambassade van Israël omdat enkele vertegenwoordigers van de Remonstrantse Kerken aan het volk van Israël en aan de Joodse Gemeenschap hun schuldbelijdenis wilden aanbieden. En gezien ik ook, onverwacht, dinsdag jl. een e-mail ontving van de Botschafter van de Deutsche Bundesrepublik die mij uitnodigde voor een gesprek, naar ik aannam over Ysselsteyn, en omdat ik toch al in Den Haag zou zijn….En zo is ’t gekoome, zou Wim Sonneveld hebben gezegd, met een zachte ‘g’.

     

    Mooie bijkomstigheid was dat ik dankzij zo’n krankzinnige dag, met in de auto telefoontjes, WhatsApps en e-mails, voor enige (dagboek)dagen genoeg inspiratie heb opgedaan om mijn dagboekeniers te informeren wat een opperrabbijn zoals doet in corona-tijd, want dat was het verzoek van het Joods Cultureel Kwartier zo’n half jaar geleden. Maar laat ik bij het begin beginnen en pogen zo weinig mogelijk afslagen te nemen in de trant van: nu ik het hierover heb, herinner ik me dat x, y of z. Uiteindelijk heeft er geen plechtigheid plaatsgevonden op Ysselsteyn, maar als excuus werd gebracht ‘corona’. Dat zet dus geen zoden aan de (Ysselsteynse) dijk, want waar het de tegenstanders van de Ysselsteyn herdenking om ging en gaat is het onaanvaardbare dat SS-ers, SD-ers, collaborateurs en gruwelijke moordenaars niet geëerd mogen worden. Ik schrijf bewust niet ‘in mijn optiek’ want ik vind dat iedereen hierover zo moet denken. Maar de voorstanders van de herdenking geven bijna allen aan dat dat ook absoluut niet de bedoeling was. Maar wat was dan wel de bedoeling? Tonen, met name aan de jeugd, dat er in oorlogstijden altijd (1) goede mensen zijn, (2) zij die zich bewust bewegen in het grijze gebied en (3) criminele schurken, waarvan er dus zeer velen in Ysselsteyn zijn gedumpt. Ik gebruik het woord ‘gedumpt’, omdat na de oorlog diverse gemeenten dit tuig niet wilde hebben op hun eigen begraafplaats en dus heeft het Ministerie van Defensie een stuk grond ter beschikking gesteld ergens ver weg om van de kadavers van die moordenaars verlost te zijn. Enige jaren geleden was er een discussie over de zogenaamde Muur van Mussert. Wel of niet overeind laten staan. Die muur zou gebruikt kunnen worden als een plaats van educatie om aan de jongere generatie aan te geven hoe verkeerd mensen kunnen handelen. Prima dus! Maar die muur zou ook misbruikt kunnen worden en verheven tot een soort bedevaartsoord voor kwade geesten! Voor beide opvattingen valt iets te zeggen. Maar beide opvattingen zijn duidelijk de mening toegedaan dat nimmer en nooit de landverrader Anton Mussert vereerd mag worden. Hier in Ysselsteyn kan dezelfde discussie gevoerd worden. Gaan we de graven gebruiken als een educatief project als een keiharde waarschuwing. Of verbergen we de graven juist om te voorkomen dat het een bedevaartsoord gaat worden voor recht- of links gespuis. In die discussie heb ik me indertijd met betrekking tot de Mussert-muur gemengd, maar die discussie speelt hier vooralsnog niet. We hebben hier te maken met een protest tegen verering. Een plechtigheid op een begraafplaats in aanwezigheid van de Duitse Ambassadeur, de burgemeester en vele anderen. Er worden kransen gelegd. Ja, hier liggen ook kindsoldaten en gewone soldaten die op straffe van veroordeling tot zware straffen vanwege insubordinatie geen keus hadden. Natuurlijk hebben die recht op een normaal graf. Uiteraard mogen naasten hier hun familie komen gedenken. De vraag is of er dan wel/niet kransen gelegd moeten worden, wel/niet een grootschalige herdenking, want het waren toch soldaten van een leger dat tegen ons streed. Maar die discussie speelt nog niet. Het pijnpunt is hier uitsluitend: de verering van schurken, moordenaars, landverraders. En ervan uitgaande dat niemand dat voor ogen heeft en dat de plechtigheid juist tot doel heeft om te waarschuwen, dan is het probleem dat die goede bedoeling niet overkomt bij het brede publiek en dat ook ik fel protesteer tegen de verering van de moordenaars van tachtig procent van mijn familie. Ik begrijp het systeem van oorlog, overwinning, vergeven. Ja, ik verzoen me volledig met het Duitsland van vandaag. De Duitse Overheid toont duidelijk afstand te hebben genomen van het verleden. Een kind van een SS-er die lijdt onder het foute verleden van zijn vader, zal ik omarmen. Hij/zij heeft niets misdaan. Maar de SS-er zelf, de landverrader, de collaborateur leefde als moordenaar, stierf of werd door het verzet gefusilleerd als moordenaar en blijft voor mij altijd een moordenaar. Vergeven: Nooit! Verzoening met zijn nazaten: altijd!

     

    Ik stop voor nu. Het dagboek is al lang genoeg en ik wil nu echt mijn bed induiken. Wordt vervolgd.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks ophttps://niw.nl/category/dagboek/

     

  • Dagboek van een Opperrabbijn, 18 augustus 2020, Er is zoveel dat ik niet begrijp...

    Mijn schoolvriendje van de lagere school die ik een paar maanden geleden na bijna zestig jaar weer heb ontmoet, plaatste een kritische opmerking. Hij kreeg het gevoel dat ik hem benaderde als rabbijn en niet als vriendje. En die opmerking zette mij aan het denken over de vraag: Wie ben ik? En alras kwam ik tot de conclusie dat ik ook in het privéleven rabbijn ben en dat rabbijn ook mijn privéleven is. Recentelijk maakte een collega van mij verschil tussen zijn persoonlijke mening en zijn rabbinale visie. Dat onderscheid werd niet echt geaccepteerd. Neem bijvoorbeeld de professionele entourage van het Sinai Centrum, waarin ik meer dan 40 jaar mocht werken. Voor iedereen was het duidelijk dat een psychiater soms geen dienst heeft. Dan was hij gewoonweg niet bereikbaar, ook niet voor een spoedgeval, want hij heeft vrij. Maar van mij werd 24/7 verwacht, want een rabbijn heeft geen baan. Een baan zit gekoppeld aan een dienst. Je werkt van 9:00 - 17:00 uur en uiteraard heb je een vijfdaagse werkweek, dat is algemeen aanvaard. Maar een rabbijn hoort er altijd te zijn, ook buiten diensttijd. De reden: hij heeft geen dienst, want hij heeft geen baan. Voor mijn gevoel ben ik werkeloos en word ik door de gemeenschap onderhouden. Vandaar ook dat er voor mij geen verschil bestaat tussen voor en na de pensioengerechtigde leeftijd. Sterker nog: na mijn 65ste is het voor mij nog duidelijker dat ik werkeloos ben, zonder baan, maar wel 24/7 beschikbaar. Waarbij uiteraard als kanttekening dat er een wezenlijk verschil bestaat tussen de 24/6 en die ene 24/1=de sjabbat. Dit wat betreft de uren. Maar wat met de inhoud? In de Joodse filosofie wordt uitgelegd dat alles van Boven komt en dat het aan de mens is om al hetgeen op zijn weg komt te gebruiken om Hem te dienen. Met andere woorden: met al hetgeen ik op mijn levensweg ontmoet, moet ik iets doen. In een valkuil moet ik niet vallen en als iemand in nood aanklopt is het aan mij om te helpen en de hulpvraag niet te negeren. En dus was ik vorige week een avond naar Baarlo. De cateraar die jaarlijks in Beekbergen gedurende de gehele zomer orthodox-Joodse gasten heeft uit Engeland, België, Israel, Zwitserland, USA zag zijn zomerseizoen volledig uitvallen. Een weekje was hij nog open in Baarlo. En omdat ikzelf liever niet vanwege corona tussen zijn gasten wilde vertoeven, ben ik gewoon een paar keer heen en weer gereden. Waarom dat? Omdat zijn gasten willen dat het eten 100% koosjer is. En hoewel de cateraar zelf echt niet iets zal doen met de maaltijden dat ritueel ongeoorloofd is, is hij natuurlijk partijdig. Het is denkbaar dat hij te soepel omgaat met de wetten van kasjroeth. En dus moet hij als het ware gedekt zijn met een soort Joods religieus rabbinaal KEMA-keur. En dat ben ik. Wat ik hieraan verdien? Niets dus. Want als ik eraan zou verdienen dan ben ik weer partijdig. Maar stiekem verdien ik er toch wel aan. Ik vind het namelijk fijn om het te mogen doen. Ik houd iedere ochtend na het ochtendgebed een korte predicatie. Ik heb hiermee in de loop der decennia een bekendheid opgebouwd in de orthodox-Joodse internationale wereld, wat dan weer gebruikt kan worden voor andere aangelegenheden. Maar dit jaar dus waren de zes weken gereduceerd tot een krappe zes dagen. En de normaal meer dan tweehonderd gasten overstegen dit keer de twintig nauwelijks. Het is zoals het is. Uiteindelijk komt dus alles van Boven en is het aan ons om ermee om te gaan. Wat er nu wel is bijgekomen: choepot. Een choepa is een bruiloft. Choepot is de meervoudsvorm. In datzelfde Hotel in Baarlo heeft een choepa plaatsgevonden en binnenkort weer een. Ik leg uit: het schijnt dat in België de beperkingen voor een huwelijksfeest net iets strikter zijn of waren (want de coronaregels veranderen naar mijn gevoel per dag) als in Nederland. En dus is een bruiloft uitgeweken, een paar weken geleden, naar Baarlo en is er vooralsnog een choepa in aantocht. Op zichzelf heeft die Belgische choepa met mij niet van doen. maar: omdat het zich afspeelt binnen mijn rabbinale ressort zorg ik er wel voor, uiteraard na collegiaal overleg, dat de choepa ook bij ons wordt geregistreerd en dat de religieuze inzegening voorafgegaan is door een burgerlijk huwelijk, conform de Nederlandse wet. In Israel is de religieuze huwelijksvoltrekking tevens de burgerlijke. Maar in Nederland zijn dat twee aparte aangelegenheden. Ik ben uiteraard voor een religieuze inzegening en voor een burgerlijke administratieve vastlegging. Het instituut huwelijk mag geen wankel gebouw zijn, niet administratief en niet religieus. Maar wat ik niet kan vatten is: van de burgerlijke wet is het toegestaan om zonder enige vorm van binding samen te wonen al dan niet langdurig, aan partnerruil te doen, pornografie te bekijken, prostitutie is toegestaan…..Maar als ik een choepa geef zonder burgerlijk huwelijk vooraf ben ik strafbaar. Maar ja, denk ik dan, er is zoveel dat ik niet begrijp…….

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

  • Dagboek van een Opperrabbijn, 18 november 2020

    Vandaag heel veel tijd besteed aan Chanoeka. Hoe gaan we het dit jaar invullen? De grote Menora waarin ik omhoog werd gehesen, zes jaar lang, staat in Sderot en zal daar dus branden. Maar wat doen we hier? Wat met mijn jaarlijkse Chanoeka-toer? Ik probeer de Joodse Gemeenten te overtuigen om alles zo gewoon mogelijk te laten doorgaan, desnoods met alleen de aanwezigheid van de burgemeester, organisatoren, lokale functionaris en lokale pers, zodat er toch nog bereik zal zijn om de duisternis te verdrijven. En dus staat er nu op het programma: Na afloop van de sjabbat race ik naar Kampen om daar in de voormalige synagoge het derde lichtje te ontsteken. Het vierde lichtje gaat in Eindhoven aangestoken worden. Of we dat doen op het Stadhuisplein of in de synagoge is nog niet geheel uitgewerkt. Het vijfde vlammetje gaat voor of in de synagoge van Arnhem plaatsvinden. Marcouch is daar de grote stimulator. Geweldig! Hoewel: het lijkt een soort zelfkastijding want zijn naast-mij-staan prikkelt vele negatieve, om het maar even netjes te verwoorden, verwensingen. Het zesde lichtje wordt op de Markt aangestoken in Nijmegen. Precies tijdstip hangt nog even af van de burgemeester die zijn jaarlijkse medewerking weer heeft toegezegd. Dank en hulde! De laatste en achtste dag zal ik in Bourtange zijn. Het zevende lichtje heb ik nog niet ingevuld en ook het eerste ligt nog niet helemaal vast. Aan Zutphen en Apeldoorn wordt nog gewerkt. Maar voor de eerste dag hoop ik op iets heel bijzonders, maar dat wordt morgenochtend pas beslist. Vrijdagavond zal ik gewoon thuis zijn of misschien bij mijn kinderen, afhankelijk van……inderdaad: de coronamaatregelen. Verder heb ik hedenochtend een gesprek gehad met ‘mijn uitgever’. Een paar goedwillende kennissen hebben besloten dat mijn dagboek wordt gepubliceerd. En dus moest ik vandaag kiezen tussen vijf opties voor de kaft, want er komt maar één kaft (grapje!).  De komende week moet ik mijn handtekening zetten onder het contract met de uitgever. Naast rabbijn ben ik nu dus ook columnist. Ik voel me soms een soort Simon Carmiggelt, maar nog meer Efraïm Kisjon. Efraïm Kisjon sneed namelijk ook duidelijk misstanden aan. Maar naast columnist heb ik er sinds eergisteren nog een nieuw baantje bij. Ik ben namelijk, althans voor mijn gevoel, medewerker van de ROVA geworden. Of iets duidelijker geformuleerd: ik ben vuilnisman! We beschikten over een groene, een blauwe en een grijze kliko. De grijze was voor REST. Alles wat dus niet paste in blauw en/of groen kon in grijs. Dat mag dus niet meer. We hebben een pasje gekregen. Met dat pasje moet ik zo’n halve kilometer lopen om bij “mijn” restafvalmachine te komen. Ik dus met een plastic zak, zo dacht ik te goeder trouw, naar deze afvalverwerkingsmachine, waarin ik dus mijn rest kan deponeren met mijn pasje. Maar wat klopt hier dus niet: plastic mag niet in de restafval machine! Voor plastic moeten we naar een andere ondergrondse machine aan de andere kant van onze straat. Naar die andere kant moet ik overigens ook met al mijn plastic afval, waaronder ook kartonnen verpakkingen. Nu hebben we er een nieuwe kliko bijgekregen, die, als ik het goed begrepen heb, voor de voedselverpakking is die geen plastic bevat. Maar er is bijna geen rest meer, las ik op de gebruiksaanwijzing, dus hoef ik niet dagelijks met pasje en voedselverpakkingen, in een niet-plastic zak, naar “mijn” vuilnis verwerkende container. Hoewel ik op mijn eindexamen gymnasium voor Nederlands een zeer hoog cijfer had, heeft de bestudering van hoe het vuil verwerkt moet worden mij enige uren gekost. En om heel eerlijk te zijn: ik begrijp nog steeds niet goed hoe het werkt. Wel herinner ik mij dat in het personeelsrestaurant van het Sinai Centrum ooit een afvalopening zat voor plastic bestek en een opening voor voedselresten. Na sluiting van de kantine kwam een medewerker van de Civiele Dienst (de schoonmaakster dus) met een grote blauwe vuilniszak en daarin verdwenen dan de etensresten en het plastic broederlijk samen! Maar nu kan dat echt niet meer. Er komen ook controleurs langs de vuilnisvaten om te controleren of ik me wel aan de spelregels houd. O ja, we vergeten het glas en de batterijen. Voor glas moet ik weer ‘naar de andere kant van mijn straat’. En batterijen en ander chemisch afval wordt naar ik meen een keer per maand afgehaald met een speciale ROVA chemisch-afval-auto waar ik dan, zonder het pasje, dien te verschijnen. Ik overweeg nu deze materie diepgaand te bestuderen en dan een soort spoedcursus aan te bieden aan onwetenden. Als reclametekst zal ik dan schrijven: “Opleiding vuil sorteren voor beginners.” Naast een telefoontje van een mij volstrekt onbekende Diana die mij probeert uit te leggen dat ik ben uitgekozen om goedkopere energie te krijgen, bleek ik vandaag ook nog een gelukkige winnaar te zijn. Ik mag namelijk gratis een maandlang Gillette scheermesjes gaan testen. Maar helaas: 1/ ik scheer mijn baard nooit 2/ van de Joodse wet mag je het gezicht niet scheren tot op de huid. Dus de gelukkige (Joodse) winnaar kan vergeleken worden met de gelukkige winnaar van de Postcode loterij die mij ook regelmatig gelukkig verklaart met voedselcadeaus die voor mij ongeoorloofd zijn om te consumeren.

     

    Later op de dag zijn we mijn enige oude, wijze en vitale tante gaan bezoeken, daarna naar Den Haag op sjiwwe-bezoek (condoleance), weer naar huis om een zoom-cursus van bijna 1½ uur te geven, een boze e-mail van iemand die me al de hele week zegt te bellen en toen…. Via bed naar een afspraak in Nijkerk om 9:30 uur, maar zal wel in mijn dagboek van morgen te lezen zijn.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks ophttps://niw.nl/category/dagboek/

     

  • Dagboek van een Opperrabbijn, 24 augustus 2020 . Even geen wereldpolitiek.

    De maand Elloel is begonnen, de Hoge Feestdagen naderen. Iedere dag blazen we al tien tonen (anderen vier) op de sjofar, de ramshoorn als voorbereiding voor Rosj Hasjana, Joods Nieuwjaar. Ik voel de gebruikelijke spanning. Rosj Hasjana, tien dagen daarna Jom Kippoer, de Grote Verzoendag en dan daarna Soekot, het Loofhuttenfeest. De spanning heeft te maken met de voorbereidingen voor de diensten, het uitnodigen van de gasten, de aanschaf van de loelav (zal ik over enige weken wel uitleggen), de loofhut……………….maar dit jaar worden deze Elloel gedachten overschaduwd door de vraag of en hoe we überhaupt synagogediensten kunnen hebben. Juist voor de minder betrokkenen van de Joodse gemeenschap zijn dit de dagen die ze nodig hebben voor de versterking en instandhouding van hun Joodse identiteit. De diensten ingaande Jom Kippoer, uitgaande Jom Kippoer, het blazen op de sjofar. Zal het doorgang kunnen vinden dit jaar? Ik voel me de depressieve kant opgaan. Maar, zeg ik dan tegen mezelf, kop op. Waar klaag je over? En als jij het niet meer ziet zitten, hoe komt dat over? Je bent opperrabbijn, voorbeeldfunctie, gedraag je ernaar! In je toespraken roep je mensen op om steeds G’d met vreugde te dienen. Klopt! En dus, zeg ik tegen mezelf, stop met het negatieve gezeur tegen jezelf en kijk hoe mooi de afgelopen sjabbat was verlopen. Geen sjoeldienst in onze prachtige synagoge in de binnenstad, maar wel een nieuwe stevige professionele tent in onze tuin. Onze synagoge is een probleem. Niet de 1½ m. Het wekelijkse aantal bezoekers vormt (helaas!) geen probleem, hoewel dat wel met de Hoge Feestdagen (hopelijk!) een probleem gaat opleveren. Neen, het probleem zit hem in de ventilatie. Nou kan dat ventilatieprobleem eenvoudig worden opgelost door ramen en deuren te openen, maar dan lopen we op tegen het veiligheidsprobleem. Waar de kerken alleen van doen hebben met de 1½ m. en de ventilatie, zitten wij met veiligheid. Open ramen en deuren is belachelijk als je als Joodse gemeente voor kapitalen aan kogelvrij glas hebt geïnvesteerd. Maar de synagoge gesloten houden is natuurlijk ook weer niet de bedoeling. In onze tuin hebben we nu twee stevige wind en weer bestendige tenten staan met perfecte natuurlijke ventilatie. En daar houden we nu onze diensten. Maar dat is een surrogaatoplossing. Veiligheid speelt hier veel minder omdat mijn huis en dus ook mijn tuin zeer goed beveiligd zijn. Alles uiteraard in overleg met politie die geen oogje, enkelvoud, in het (tent)zeil houdt, maar meerdere ogen! Bij deze: dank aan mijn politie! Maar waarvoor we moeten waken is interne spanning. Niet dus alleen in mijzelf, maar binnen de gemeenschap. Wel dienst, geen dienst? Is het verantwoord om op de sjofar-ramshoorn te blazen in de synagoge of moeten we dit uitsluitend in de tuin van de synagoge doen? Minimumaantal sjofarklanken of gewoon als andere jaren alle honderd klanken? Aan het uiteinde van de sjofar een mondkapje? Moeten we strikter zijn dan RIVM of niet vromer dan de paus? Al dit soort discussies, die af en toe ontaarden in felle discussies en interne spanningen veroorzaken, zijn onnodige en ongewenste neveneffecten van de hele coronatoestand. En natuurlijk word ik hierin ook weer meegesleept. Want wees ervan doordrongen dat er altijd vriendjes zijn die waar mogelijk toeslaan. U kent het wel: “hoofd boven het maaiveld.”  Moet ik me dan gedeisd houden? Zwijgen? Niet van me laten horen? In de luwte blijven? Dan krijg ik te horen: Jacobs doet niets. En dus blijf ik actief. Bewust heb ik vandaag even niet te veel nagedacht over de grote gebeurtenissen in de grote wereld.  Wie zal beter zijn voor Israel: Trump of Biden?  Is het historische vredesverdrag tussen Israel en de Emiraten inderdaad zo historisch, er was toch al vrede met Egypte en Jordanië? En hoe zit het met het diepgewortelde anti-Israel gevoel, is dat nu plotseling verdwenen? Aan een voormalig Opperrabbijn van Israel werd eens gevraagd wanneer hij vrede met de Israel omringende landen verwacht. Zijn antwoord was kernachtig en to the point: zolang er in de schoolboeken in de Arabische landen haat wordt gekweekt tegen Joden en tegen Israel, zal geen duurzame vrede mogelijk zijn.

    Ik heb me even beperkt vandaag tot gewoon het telefoontje naar de bejaarde mevrouw Pompstock en gewoon met haar even gekletst over Hollandse koetjes en kalfjes. Eenzaamheid doorbreken, gewoon even aandacht. Op de verkiezingsuitslag in de USA heb ik toch geen invloed. En ook Netanyahu gaat niet bij mij te rade. Maar aan die eenzaamheid bij de hoogbejaarde mevrouw Pompstock kan ik wel wat doen, hoewel zij daarmee haar in de oorlog vermoorde man en kinderen natuurlijk niet terugkrijgt.

  • Dagboek van een opperrabbijn, 26 oktober 2020

    Het is dus, en dat vergeet ik bijna, een dagboek in coronatijd. Die coronatijd voelde ik vandaag wel extra. Het is niet uitsluitend de knagende onzekerheid, maar ook de media die maar niet stoppen erover te spreken en de discussie binnen de Joodse gemeenschap zelf. Overigens zal die discussie binnen en buiten de Joodse gemeenschap geheel identiek zijn. Ik denk dat we globaal drie stromingen kennen. De ultraorthodoxie, de gematigden en de afvalligen. De ultraorthodoxie houdt zich bijna dwangmatig aan de RIVM-regels, neemt geen enkel risico en probeert anderen te overtuigen om vooral in afzondering te gaan leven. De afvalligen vinden alles onzin. Niemand weet het toch en je kunt het toch niet voorkomen, bovendien wordt het allemaal chronisch overdreven. Ik reken mijzelf tot de tweede stroming, de gematigden, die proberen kalm te blijven, niet te overdrijven, maar die weigeren om de realiteit te bagatelliseren. Maar in dat kalm blijven zat vanochtend een krak. En wat doe ik dan? Even een WhatsApp naar mijn professor. Wie is mijn professor? De echtgenoot van een oud-leerlinge met wie ik regelmatig contact heb over van alles en nog wat, maar speciaal over juridische zaken.  Even een voorbeeld van zo’n contact: die oud-leerlinge van mij, inmiddels dus een advocaat van middelbare leeftijd, heeft een beetje hetzelfde probleem als ik. Zij kan geen neen zeggen! En dus als ik eens weer iets heb, haal ik haar van stal, zoals dat zo ongenuanceerd heet. Jaren geleden ontmoette ik een oude man, die nog best jong van geest was. Hij leek qua uiterlijk op mijn opa. Hij behoorde tot de weinigen die, als kind, Auschwitz hadden overleefd. Hij was vriendelijk, gemoedelijk, betrouwbaar. Ik zou hem zondermeer durven vragen om €100.000 cash van A naar B te brengen. Híj had echter een lastig probleem: hij had de gewoonte om te stelen! Niet zomaar, maar uitsluitend als hij iets nodig had. Zo heeft hij Auschwitz weten te overleven. Na de oorlog was, zoals ik al vaker heb neergeschreven, het welkom-thuis-in-Nederland niet altijd van harte (cynisch!). Zijn ouders waren vermoord, familie had hij niet en ook bezittingen, een dak boven zijn hoofd en enige vorm van inkomsten ontbraken. En dus, indien hij iets nodig had, kleding of eten, zette hij zijn aangeleerde overlevingstechniek voort en had er geen moeite mee om te stelen. En nu was hij betrapt. Hij had, als ik me goed herinner, Fl. 4000 gekregen van de WUV, Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers, voor de aanschaf van zo’n elektrisch aangepast invalide autootje. Dat autootje had hij weten te verkrijgen voor Fl. 2000 (zwart betaald) en de resterende Fl. 2000 had hij in z’n zak gestoken. Betrapt! En dus een rechtszaak. Ik mijn oud-leerlinge ingeschakeld en daar stonden we dan in de rechtszaal voor drie edelachtbaren in toga. Op verzoek van de advocaat van de verdachte, mijn oud-leerlinge dus, werd mij verzocht helemaal aan het eind van de rechtsgang (heet dat zo?) ook een paar woorden te zeggen. Edelachtbaren, hoor ik mezelf nog zeggen, uiteraard is diefstal strafbaar. U heeft de plicht om de wet te handhaven. Maar realiseert u zich dat diezelfde wet die terecht aangeeft dat verdachte iets heeft gedaan dat tegen de wet indruist, realiseert u zich dat diezelfde wet hem naar Auschwitz heeft gestuurd? En tegen de vertegenwoordiger van de WUV, die aanwezig was als eiser, heb ik gezegd dat ik weiger te begrijpen hoe hij, als Wet Uitkering Vervolgingsslachtoffers, het in z’n hoofd haalt (ik had het iets netter geformuleerd) om deze overlevende voor het gerecht te dagen. De rechters hebben het begrepen: vrijspraak.

     

    Die oud-leerlinge is dus inmiddels moeder en getrouwd met een internist-hoogleraar. Dat is dus mijn professor. We kennen elkaar eigenlijk uitsluitend via WhatsApp en telefoon, hebben nooit echt contact gehad, maar hij is nu mijn aanspreekpunt voor alle wetenswaardigheden op het gebied van corona. Wat is onzinnige complottheorie en wat klopt wel. Waar ligt de grens tussen ultraorthodox, gematigd en afvalligen. En dus vanochtend, toen ik het net even te weinig zag zitten en dreigde van gematigd naar ultraorthodox over te gaan, even een WhatsApp naar mijn medisch geestelijk raadsheer de professor, en zie, ik behoor weer bij de gematigden.

     

    De link naar de oorlog wordt door mij wel sterk gevoeld. Ik begin te beseffen dat onze Lockdown van geen kant te vergelijken valt met de twee jaar en acht maanden dat mijn vader zat opgesloten, zonder laptop, zonder telefoon, zonder enig contact met de buitenwereld die levensbedreigend was. Ik voel me schuldig dat ik dat nooit heb aangevoeld. Ik begrijp nu erg goed dat mijn vader, zoals bijna alle vaders van mijn generatie, nooit iets verteld hebben over hun Lockdown. Ze wilden en konden er niet over spreken. Na het overlijden van mijn lieve en verstandige vader, heb ik met zijn nicht, tante Wies, die ook op hetzelfde onderduikadres zat, willen spreken over hun onderduikperiode. Alsjeblieft, zei ze, doe me dit niet aan. Ik kan en wil er niet aan terugdenken!

    Maar doordat mijn professor, die voor mij altijd bereikbaar is en regelmatig mij terugbelt vanuit de operatiekamer, mij weer op het rechte mentale spoor had gezet, kon ik weer rustig een aantal telefoontjes beantwoorden van mensen die bij mij steun zochten. En dat waren er vandaag meer dan gewoonlijk, helaas (?).

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks opwww.niw.nl

  • Dagboek van een Opperrabbijn, 28 juli 2020

    Waarom weet ik niet, maar hier in Maastricht voel ik me even volledig weg van alles, hoewel ik nu u dit leest alweer thuis ben. Nou ja, volledig? Eigenlijk gaat het gewone rabbinale door. Een Nederlandse collega benadert mij. Een kindje van nog geen drie jaar uit Zuid-Amerika lijdt aan een zeldzame ziekte en nu schijnt er in Nederland een mogelijke behandeling in ontwikkeling te zijn. En dus wordt mijn collega benaderd door een collega uit Zuid-Amerika die de rabbijn is van de vader van het kindje. En gezien Jacobs toch in de psychiatrie werkte…

     

    En dus probeer ik de vader via via met de betreffende artsen in contact te brengen. Maar de vader moet wel eerst een online formulier invullen. Een formulier in het Nederlands en dus zit ik met mijn computer voor me en mijn smartphone aan mijn oor de vader te vertellen wat hij moet invullen. En dat speelt zich dan af op een terrasje op het Onze Lieve Vrouwenplein in Maastricht.

    Terwijl ik wacht op mijn auto die uit de garage van het hotel wordt gehaald, word ik nog even door Benoit Wesly, voorzitter van de Joodse Gemeente Limburg en eigenaar van Hotel Derlon waar we verblijven, voorgesteld aan de nieuwe trainer van voetbalclub MVV.

     

    De auto in, tien minuten rijden en we zijn bij de startplaats van onze wandeling. We gingen de rode pijltjes volgen. Maar toen kwamen de telefoontjes en e-mails. Een paar klussen waar ik volledig buiten wil blijven en waarmee ik ook helemaal niets te maken heb. 

     

    Blouma heeft nog snel even mevrouw Cohen uit Leeuwarden gebeld die vandaag 85 jaar is geworden. Een paar weken geleden waren we nog bij haar op (corona) bezoek. Vijf jaar lang, meer dan 40 jaar geleden, reisde ik iedere zondag naar Leeuwarden om onder anderen haar kinderen les te geven - nostalgie. De band is altijd gebleven. 

     

    Een telefoontje over een tekst op een grafzerk.

     

    Een telefoontje van een Joodse Gemeente die de sjoeldiensten op de binnenplaats wil beginnen.

     

    En toen een telefoontje uit Mariupol, Oekraïne: onze dag werd volledig anders dan gedacht. Rabbijn Mendel Cohen, een Israëliër die daar de rabbijn is, aan de telefoon. In shock vertelt hij mij dat hij nog leeft dankzij de steun vanuit Nederland en dankzij mij.

     

    Waarover heeft hij het, vroeg ik mezelf verbouwereerd af. ‘s Ochtends probeerde een man met een bijl de synagoge binnen te dringen. De beveiliger heeft met hem gevochten en hem zijn bijl weten te ontfutselen. De aanvaller is gevlucht, maar is duidelijk te zien op camerabeelden. De beveiliger heeft wonden opgelopen aan hoofd en nek, maar hij maakt het GZD goed.

    De politie was nu in de synagoge en Mendel belde mij volledig in shock op, innig dankbaar dat Christenen voor Israël nu al vijf jaar de beveiliging van de synagoge bekostigt. Blouma natuurlijk meteen gebeld naar zijn vrouw Esty die uiteraard ook helemaal overstuur is. Ze was slechts een paar meter verwijderd van het weduwschap.

     

    En dan NIW aan de lijn. Esther Voet, de hoofdredacteur, was vorig jaar nog in Mariupol om een verslag te maken van hun inzet. Duizenden kilometers weg van de bewoonde wereld, oorlogsgebied, separatisten, armoede, een massagraf van 10 meter breed en 11,6 kilometer lang. Maar antisemitisme, daarvan was geen sprake. Er waren veel te veel andere problemen.

     

    Rabbijn Mendel hoort nu, uren later, nog steeds het geroep van de schurk: ‘waar is de synagoge, waar is de synagoge?!’… De beveiliger heeft vandaag al een grote bonus gekregen. Hij heeft zijn leven geriskeerd, met blote handen de bijl aan de schurk ontfutseld, en zo vele levens weten te redden. Maar de aanvaller is nog niet gepakt. Mendel en Esty voelen zich nog verre van veilig. Blouma en ik hebben de kilometers van de wandeling wel afgelegd, maar onze gedachten waren in Mariupol, bij Mendel en zijn gezin. Toen ik vijf jaar geleden het contact heb gelegd tussen rabbijn Mendel Cohen en Christenen voor Israël in de hoop dat laatstgenoemde Mendel zouden willen steunen en helpen aan beveiliging, kon ik echt niet bevroeden dat die kennismaking toen, nu zijn leven heeft gered. Morgenavond begint de vastendag van 9 Av, de herinnering aan de verwoesting van de Tempel en het begin van de ballingschap. Eén van de gevolgen van die verwoesting: de aanslag op rabbijn Mendel en zijn gemeenschap.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks, behalve in de twee weken vakantie. Dan neemt Christenen voor Israel het over. Een mooie samenwerking!

  • Dagboek van een Opperrabbijn, 29 oktober 2020

    Het was vandaag een dag van papierwerk. Verklaringen ondertekenen, reglementen doorworstelen, verjaardagbrieven van een persoonlijke noot voorzien en de nodige lezingen voorbereiden. Met dit laatste ben ik nog niet klaar, maar ik moet nu echt even onderbreken om mijn dagboek klaar te hebben. Aanstaande dinsdag spreek ik via Stream (een soort Zoom maar dan net weer anders) voor Christenen voor Israël. Onderwerp: “Gebed in de Joodse Traditie.” Geen idee wat ik moet gaan zeggen, maar we vinden wel wat. Er valt genoeg over te zeggen, want door de eeuwen heen hebben we heel wat afgebeden! Maar het eerst dat ik wil uitleggen is dat het Nederlandse woord ‘bidden’ betrekking heeft op ‘vragen’, ‘beten’ in het Duits. Maar ons ‘gebed’ heeft een andere betekenis. Maar meer daarover niet nu, anders heb ik niets meer over voor de Stream. Vanmiddag ontving ik een interessante e-mail van een oudere dame, een psychologe. Ik had haar gevraagd om eens naar mijn dagboeken te kijken en mij te laten weten wat ze ervan vond. Haar reactie was heel interessant. Een dagboek bijhouden, zo gaf ze aan, is een therapie. En therapeutisch bezien moet je zo’n dagboek dan niet publiceren, want je toont daarin ook je zwaktes. Ik denk dat ze gelijk heeft, alleen ik schrijf mijn dagboek niet op advies van een psychiater maar op verzoek van een museumdirecteur! Ik schrijf  ook niet voor mezelf, maar voor de lezer. Maar, zo begon ik me dan maar meteen af te vragen, heeft mijn dagboek-schrijven misschien toch een psychologische component, is het misschien toch een soort, wellicht onbewuste, therapie die ik nodig heb. Toch maar eens vragen aan de directeur van het Joods Cultureel Kwartier wat zijn echte bedoeling was of dat er ook therapeutische bijbedoelingen waren. Verder voel ik me wel goed, hoewel de coronatoestand het gewone leven ontwricht, maar voor mij valt dat nogal mee, ik heb geen klagen. Ik reisde weliswaar veel, maar zit niet in de reisbranche. En hoewel we altijd veel gasten hebben/hadden (waaronder ook af en toe erg vreemde gasten) toch zitten we niet in de horeca. Maar ik zit wel een beetje in de wereld der psychologen omdat juist in deze tijden mensen eenzaam zijn, angstig en zelfs af en toe suïcidaal. Als ik zeg dat ik ‘een beetje’ in de psychologische wereld vertoef, bedoel ik te zeggen dat een rabbijn natuurlijk alles te maken heeft met gedrag en gevoel van mensen. Ik mag nooit de mens oppervlakkig bekijken, afgaan op de eerste indruk. Ik word geacht altijd heel goed te luisteren en door te dringen tot de essentie van de vraag. Ik zal me verduidelijken want anders denkt u dat ik psychologische onzin uitkraam.

     

    In mijn dagboek van enige dagen geleden citeerde ik een binnengekomen e-mail:

    “Ik ben een tiener die op onverklaarbare wijze een enorme aantrekkingskracht ervaart naar uw prachtige religie. Alles in mij trekt ernaartoe”.

     

    Hoe ben ik hiermee omgegaan. Wellicht had u verwacht dat ik de tiener zou uitnodigen en helpen met haar verlangen om Joods te worden. Maar ik heb dat heel bewust niet gedaan. Ten eerste zal ik nooit een onbekende zomaar bij mij thuis ontvangen. Ik mag geen kwaad denken, maar naïviteit verdient ook niet de hoofdprijs! Om een lang verhaal kort te maken: de tiener is de twintig reeds gepasseerd, is moeder van een baby en heeft een echtgenoot. De echtgenoot is een gelovige moslim. Hij weet niet dat zij contact heeft gezocht met de opperrabbijn, hij weet ook niet dat zij aangeeft Joods te willen worden. Ervan uitgaande dat dit geen vooropgezet plan is om met een list en met een kwade bedoeling bij de rabbijn in huis te komen, wat gaat hier passeren? Hij vindt uit dat zij bezig is Joods te worden. Los van het feit dat zij dan met een Joodse man zal moeten trouwen en van hem zou moeten gaan scheiden, wat zijn de gevolgen voor hun baby? Maar misschien wil hij ook Joods worden. En wat gaat dat dan weer betekenen voor dit gezin ten opzichte van hun familie? Enfin, er is haar uitgelegd dat Joods-worden er momenteel niet inzit. Maar dan maar, zo gaf ze aan, gewoon veel lernen over Jodendom. Mag ze cursussen bijwonen? Ook dat heb ik ten stelligste afgeraden. Ik wil graag mensen helpen, maar hier ga ik meewerken aan het kapotmaken van een normaal regulier gezin. Hij een moslim, zij een moslima. Wat is de toegevoegde waarde om haar te steunen met kennis van het Jodendom. Als zij met hem een problematische relatie heeft, moet ze naar de psycholoog, niet naar de rabbijn. Ook niet als die rabbijn toevallig in een psychiatrisch Centrum meer dan 40 jaar heeft gewerkt, want zijn professie is en blijft: rabbijn! En een rabbijn moet helpen, ook als het helpen lijkt op tegenwerking, want zij was niet blij met mijn weigering haar bij te staan!

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks ophttps://niw.nl/category/dagboek/

  • Dagboek van een Opperrabbijn, 3 november 2020

    Vandaag heb ik maar eens, bij hoge uitzondering, een agenda voor mezelf gemaakt:

    • 7:30 opstaan en ochtendgebed
    • 9:00 uur e-mails bekijken en beantwoorden en bordje havermout
    • 11:00 u vertrek naar Leerdam met mijn trouwe chauffeur *
    • 12:00-12:45 uur begraafplaats ontmoeting met Eduard Huisman, consulent voor de begraafplaatsen
    • 14:00 – 16:00 uur overleg met rabbijn Den Haag en PC-leden in synagoge Den Haag over het Brit Mila besnijdenis protocol.
    • 18:00 uur thuis overleg op hoog niveau over Ysselsteyn
    • 19:00 uur vertrek naar Nijkerk
    • 19:30-20:30 uur lezing via Stream over “de plaats van het gebed in het Jodendom”
    • 21:30 uur gevloerd thuis
    • 21:30-22:00 uur w.v.t.t.k. (wat verder ter tafel komt)
    • 22:00 uur: dagboek

    * Onderweg in de auto: lezing voorbereiden voor vanavond; e-mails bekijken; telefoontjes; Bat Mitswa op Kerstmis zien op te lossen.

    Nu zit ik dus bij punt 11 na een bomvolle dag. Maar wel een goede dag, in de betekenis dat er van alles soepel is verlopen. De begraafplaats in Leerdam. De consulent van de begraafplaatsen, Huisman, doet zijn werk met veel overgave en inzet. Het probleem was een muur van het huisje dat dreigt weg te zakken en/of om te vallen en zou dan terecht komen op de onderliggende Joodse begraafplaats. En dus moet er een L vormige stut worden geplaatst op de Joodse begraafplaats…maar ik zal u er niet verder mee vermoeien. Het eind is dat alles goed en naar tevredenheid van weerskanten, B&W en NIK, wordt opgelost. Het huisje wordt gered en de grafrust op de Joodse begraafplaats wordt niet aangetast. En dus heb ik het weer goed gedaan, vind ik van mezelf.

    Onderweg ook de Bat-Mitswa opgelost. Wat was het probleem: het meisje zou Bat Mitswa moeten worden op de eerste Kerstdag. Maar dan krijg je niet zo snel je vriendjes en vriendinnetjes. Klopt! Maar die krijg je dus naar alle waarschijnlijk toch al niet vanwege Corona en dus: uitstellen tot betere tijden en een gelukkigere datum. Natuurlijk wordt zij Bat Mitswa – Joods meerderjarig, op de dag van haar 12de verjaardag, maar het feestje kan later. En, zo heb ik aangeboden, ik zal dan ook graag aanwezig zijn.

     

    Wat ik niet heb kunnen oplossen was een mevrouw, waarvan ik me niet herinner haar ooit ontmoet te hebben, die me al eerder deze week had gebeld. Ze geeft aan dat wij elkaar al een keer hebben ontmoet in Brussel, op mijn kantoor van de RCE Rabbinical Center for Europe, in verband met een gioer, toetreding tot het Jodendom. We spreken met elkaar in het Frans, geen probleem, maar ik weet haar dus echt niet te plaatsen. Hoe doe ik zoiets? Ik heb thuis een schrift met alle ontmoetingen en de daarbij behorende aantekeningen. Maar met dat schrift loop ik niet dag en nacht rond. Ik dus braaf geluisterd en proberen uit te vinden wat precies haar vraag is en, nog belangrijker, wie zijzelf eigenlijk is. Mijn Frans is redelijk, maar haar Frans buitengewoon gebrekkig en met een enorm Russisch accent. Uiteindelijk heb ik begrepen dat ze me uitlegt dat er een probleem is met corona en dat ze daarom nu niet haar zoon naar Antwerpen kan brengen naar de Joodse school en ook de afspraak met mij op mijn Brussels kantoor aanstaande zondag moet afzeggen. Dat komt mij overigens wel goed uit omdat 1: er een negatief reisadvies is naar België en 2: ik helemaal niet van plan was om aanstaande zondag naar Brussel te gaan, dat nergens in mijn agenda staat en ook ons secretariaat hiervan niet op de hoogte was. Het is mij dus nu niet helemaal duidelijk of ik wel of niet iets heb opgelost. Maar ik ga dus niet naar Brussel, dat is het enige dat duidelijk is.  Dat komt prima uit, want ik word zondag aanstaande op 11:00 uur in Arnhem verwacht. Daar mag ik een krans leggen met een bestuurslid van de Joodse Gemeente Arnhem bij het monument ter nagedachtenis aan de vermoorde Arnhemse Joden. Ik zal wel een paar woorden spreken en ook de burgemeester komt. Hopelijk zal de lokale omroep aandacht hieraan besteden, anders sta ik tegen mezelf te spreken of alleen tegen burgemeester Marcouch, die ook aanwezig zal zijn, hoewel ik het woord ‘ook’ beter kan weglaten.

     

    Overigens heb ik vanavond wel een training gehad om tegen niemand te spreken. Bijna 1½ uur een lezing over de “De plaats van het gebed in het Jodendom’. Ik stond dus letterlijk tegen niemand te praten, uitsluitend tegen een camera die niet reageert en zelfs niet in slaap valt van verveling. Een leuke grap verteld, en niemand lacht. Een spitsvondige opmerking, en niemand reageert. Ik vraag me af of als ik halverwege in slaap zou zijn gevallen, of iemand dat zou hebben opgemerkt! Ik ben gewend dat ik tegen een groep mensen spreek. Dat niet iedereen altijd aandachtig luistert, het is niet anders. Ook als mensen ongeduldig op hun horloge kijken aanvaard ik gedwee. Als ze na het kijken op hun horloge gaan luisteren of het klokje nog werkt, raak ik pas geïrriteerd!

     

    Maar er is vandaag nog iets gebeurd. Een belangrijke bespreking in verband met de onacceptabele herdenking van SS-ers en SD-ers op de begraafplaats in Ysselsteyn. Die bespreking heb ik niet geagendeerd en ook de positieve uitkomst die heeft geleid dat ik morgen weer een overleg heb, treft u niet vermeld. Heel vaak is een gevoelig probleem het best oplosbaar als het achter de schermen is en onzichtbaar blijft. Het lastige is alleen dat als het zichtbaar wordt dat het probleem is opgelost, er velen uitroepen dat zij het hebben opgelost. Twee weken geleden sprak ik een predikant wiens vader zwaar in het verzet had gezeten. Hij vertelde mij dat in de oorlog in hun dorp er maar weinig verzetsstrijders waren, maar na de oorlog was iedereen een verzetsstrijder geweest!

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks ophttps://niw.nl/category/dagboek/

     

  • Dagboek van een Opperrabbijn, 30 juli 2020

    De heer Ruth Marion Weile, geboren 25 juni 1928 in Magdenburg. Hij woonde van 2 april 1941 t/m 9 februari 1943 aan Poorthofsweg 26 Haren. Hij is op 10 september 1943 in Auschwitz vermoord.

    Negen Av, de meest trieste dag van de Joodse kalender. Ik ontvang een e-mail.  Bij het leegruimen van een huis vindt iemand een fotoboek, het behoorde toe aan Ruth Marion Weile. De heer Weile heeft indertijd het fotoboek afgegeven aan de heer L. Wind in Haren.

    Misschien is er nog ergens een familielid van Ruth Marion Weile die graag dit gewone fotoboek wil hebben, de herinnering in ere houden aan? Het is een nietszeggend fotoboek.  Maar juist vanwege het nietszeggende, getuigt het van het grote drama. En als er zelfs niemand meer bestaat die Ruth Marion Weile nog ergens kan plaatsen, gaat het naar het Joods Historisch Museum.

    Maar voor het zover is, ga ik zoeken. In Westerbork bijvoorbeeld. Ik heb zelf een kistje met foto’s. Geen idee wie al die mensen zijn. Mijn vader had het mij zeker kunnen vertellen, maar ik heb het hem nooit gevraagd en hij mij eigener beweging nooit over verteld. Ze werden allen vermoord, met hun herinnering. Ik herinner mij dat ik enige jaren geleden een medaillon van mijn moeder opende om te kijken wat erin zat. Een foto van een man met een pet en een baard. Geen idee wie dat was. Als mensen, zo speelt het in mijn hoofd, gewoon vergeten zijn vanwege de jaren, dan is dat normaal. Ze blijven voortleven in hun nageslacht, ook als de nazaten niet meer weten wie ze waren. Maar op jonge leeftijd vermoord, met en zonder nageslacht…

     

    Terwijl ik in de synagoge ben van Maastricht gonzen deze gedachten door mijn hoofd. Mijn gedachten dwalen af van de Klaagliederen die we op Negen Av uitspreken gedurende de ochtenddienst. Aan het einde van de dienst vraagt de rabbijn van Limburg om iets te lernen voor de aanwezigen, voordat we weer huiswaarts keren. Ik houd een voordracht over onderlinge onverdraagzaamheid en over het gevaar van Bijbelvertaling. Iedere vertaling is immers een verklaring. Nog nauwelijks in de auto belt de specialist van het Erasmus Medisch Centrum mij. Over dat kindje uit Zuid-Amerika die hier in Nederland geholpen hoopt te worden. Het contact tussen de vader en de medicus is gelegd en dus kan ik er tussenuit. Dat gebeurt vaker. Er komt een probleem op me af. Ik treed op als een soort koppelaar en ga er dan tussenuit.

     

    Toen ik twee uur later in Amersfoort aankwam, mocht ik weer ergens tussen gaan zitten. Een belletje uit Israël. Er ligt iemand in Nederland op sterven. De familie in Israël wil graag dat ‘in geval dat’ er een Joodse begrafenis zal plaatsvinden. De zieke vrouw, middelbare leeftijd, is Joods maar heeft nooit iets gedaan met haar Jodendom en is dus nergens lid van een begrafenisvereniging. In feite dus onverzekerd. Via het belletje uit Israël kom ik in contact met de kinderen.

     

    De dochter legt me uit dat ze niet weet wat ze moet doen want ze weet niets van het Jodendom omdat ze als Nederlander is opgevoed. Ik ben er maar even niet op ingegaan, maar ik had de neiging om even corrigerend op te merken dat ook ik Nederlander ben en ook als Nederlander ben opgevoed. Enfin, na de dochter gesproken te hebben en aangeboden om moeder te gaan bezoeken en waar mogelijk behulpzaam te zijn, heb ik de voorzitter van de betreffende Joodse Gemeente in contact gebracht met de dochter en mocht ik er weer tussenuit wat betreft de financiële regeling. En weer was ik dus de koppelaar.

     

    Ondertussen ontvang ik een appje van de journalist van de Telegraaf dat het bericht over de aanslag in Mariupol online is gelezen door 187.677 mensen en direct daarna een appje dat een jongeman van 47 jaar, vader van zes kinderen, zoon van een vriend van mij uit Londen, plotseling aan een hartaanval is overleden. Het is inmiddels 19:15 uur.

     

    Om 22:14 uur is de vastendag voorbij. Meer dan 24 uur niet eten en niet drinken. Wel nare confrontaties. Het ballingschap in optima forma. Door de eeuwen heen een moeizame periode voor het Joodse volk. Een aaneenschakeling van vervolgingen, pogroms, juist in deze periode. Daarom zie je dat orthodoxe Joden doorgaans pas na deze periode op vakantie gaan. Onderweg loert er altijd gevaar, zeker in ‘den vreemde’.

     

    Het hotel in Beekbergen waar wij ieder jaar enige weken vertoeven omdat het in de vakantie vanaf Negen Av al bijna twintig jaar ‘koosjer draait’, gaat dit jaar niet door. Een koosjere cateraar uit Antwerpen neemt dat gewone hotel over gedurende de zomer. Maar om Joodse toeristen te krijgen moet hij een koosjer certificaat hebben van een rabbijn, een soort Kema Keur, maar dan voor koosjer. Ik ben ieder jaar dat certificaat. Ik zie het niet als business, want mijn handel is ‘mensen helpen en bruggen bouwen’, maar het is leuk. Maar dit jaar dus even niet: want corona!

     

    Met nog een paar Joodse mannen vertrekken we dadelijk naar de synagoge in Almere voor de middag- en avonddienst. En dan snel naar huis. Eten kan nog even wachten, maar een kop koffie, daar snak ik naar. Ik ga nu nog even naar Mariupol bellen om te kijken hoe het gaat met rabbijn Mendel, met z’n shock. O ja, bijna vergeten, een appje van de ambassadeur van Oekraïne in Nederland. Hij gaat ook naar rabbijn Mendel bellen. De ambassadeur is ook Joods. Hij doet er weliswaar niets aan, maar toch. Overigens zijn de president en de premier van Oekraïne ook beiden Joods. Schertsend vroeg ik eens aan de ambassadeur of ook niet-joden bij hun een regeringsbaantje kunnen krijgen.

     

    Maar het antisemitisme is er zeer aanwezig, in een land dat eens de bakermat was van een gigantisch Joods leven. Van die rijkdom is nagenoeg niets meer over. Wat rest zijn keihard werkende rabbijnen die redden wat er nog te redden valt en die honderden massagraven proberen te beschermen tegen grafschennis. Ik zie mezelf nog zo staan bij dat massagraf in Mariupol: 16.000 Joden werden daar vermoord, omdat ze Joods waren… Laten we bidden dat deze negende Av volgend jaar een feestdag zal zijn, omdat het ballingschap ten einde is.

     

    Opperrabbijn B. Jacobs

     

    bron: https://www.christenenvoorisrael.nl/artikelen/trieste-dag

  • Dagboek van een Opperrabbijn, 30 september 2020

    Doordat ik gisteren de hele dag niet heb bewogen, want ik zat of bij die conferentie of in de auto, ben ik nu al wakker. Het is tien voor drie in de ochtend. En dus heb ik me voorgenomen om dadelijk, als het echt ochtend is en ik het ochtendgebed heb uitgesproken, een stevige wandeling te gaan maken. En de rest van de dag? Vanmiddag komen er een aantal mensen op bezoek. Mensen die anders op mijn Rabbinaat zouden zijn gekomen. Maar omdat ik vanuit huis werk, komen ze nu naar Amersfoort en worden ze ontvangen in de tentsjoel/sjoeltent en niet in ons huis vanwege ventilatie en social distance. En verder zie ik wel wat er op mij afkomt. Of niet. Maar meestal is er altijd wel wat aan de rabbinale hand. Sowieso moet ik mijn zoomcursus voor de 60+, die ik donderdagmiddag ga geven, voorbereiden. Zo’n voorbereiding is qua tijd lastig in te schatten, maar enige uren zal het vergen. En ondertussen, als ik van verveling niet meer zou weten wat te doen, kan ik vast mijn toespraken voor de eerste dagen Soekot, het Loofhuttenfeest, voorbereiden. Dat zullen we in ieder geval al vier zijn. Een voor ingaande Soekot, dus vrijdagavond, een overdag bij de sjoeldienst, dan weer een toespraak zondagavond en dan zondag overdag bij de sjoeldienst. Voor mezelf moet ik wel aantekeningen maken wanneer ik wat zeg. Geen uitgeschreven toespraken, maar wel punten per toespraak op schrift om te voorkomen dat ik niet alle vier de toespraken door mekaar haal. Vier toespreken fabriceren neemt een fiks aantal uren die ik vandaag of morgen zal moeten inplannen.

     

    Maar het regulier kantoorwerk gaat ook door, maar dan vanuit huis. Zojuist een zogenaamde rabbinale verklaring afgegeven. Om lid te kunnen worden van een Joodse Gemeente of om elders in de wereld een Choepa, een Joods religieus huwelijk, te kunnen krijgen of om aan een pasgeboren jongetje een Brit Mila, besnijdenis, te kunnen geven, moet er een bewijs van Jood-zijn worden getoond. En dus wordt er van mij regelmatig om zo’n verklaring gevraagd. Uiteraard geef ik uitsluitend zo’n verklaring af als het Jood-zijn, hetzij van geboorte of vanwege een toetredingsprocedure, bewezen is. In feite heet zoiets een Jood-Verklaring, maar vanwege alle nare mogelijke associaties noem ik dat altijd een Rabbinale-Verklaring. Klinkt iets vriendelijker!

     

    Overigens heeft die boze meneer van gisteren (zijn boosheid was terecht!) het gesprek, nadat ik excuus had aangeboden en toegezegd persoonlijk de plechtigheid rond de onthulling van de grafzerk te zullen leiden, afgesloten met de volgende woorden: “zo, nu ben ik het kwijt en heeft u (dat ben ik dus) het probleem.” Dat deed me denken aan Moos en Saar. Het is midden in de nacht en Moos kan maar niet slapen. “Waarom slaap je niet?”, vraagt Saar. “Nou”, zegt Moos, “ik heb van onze buurman en onze goede vriend Sam tienduizend Euro geleend maar ik zie geen enkele mogelijkheid om het terug te betalen en pieker me dus suf.” Saar begint hierop te bonken op de muur. Sam wordt wakker en brult wat er aan de hand is. “Sam”, antwoordt Saar, “Moos kan je die tienduizend Euro onmogelijk terugbetalen.”  Dit gezegd hebbend zegt ze tegen haar Moos: “Zo, nu kan hij verder piekeren en jij rustig slapen”.

     

    En toch ben ik tevreden dat die boze mijnheer met zijn klacht over de niet goed verlopen begrafenis mij heeft gebeld. Natuurlijk ben ik niet schuldig, maar wel verantwoordelijk en dus was mijn excuus oprecht gemeend en hoop ik dat de boosheid, of beter verwoord de teleurstelling, door mij is overgenomen en bij de familie enigszins verzacht is.  Hij reageerde in ieder geval zeer positief op mijn voorstel dat ik zelf de plechtigheid ga leiden bij de onthulling van de matsewa-grafzerk.

    Maar: Ik heb inderdaad slecht geslapen, maar dat doe ik al jaren!

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks

  • Dagboek van een Opperrabbijn. 14 december 2020

    Probleem!  In deze Chanoeka periode gebeurt er zoveel per dag dat het onmogelijk is om in één dagboek het dagelijks gebeuren te kunnen verwerken en dus loop ik achter. Aan het derde lichtje, dat na afloop van sjabbat werd aangestoken, heb ik nog geen aandacht kunnen besteden. Maar los van Chanoeka gaat het dagelijkse gewoon door. In gewone niet-corona-dagen was ik bijna uitsluitend bezig gedurende Chanoeka met Chanoeka. Vergaderingen en besprekingen vonden gewoonweg niet plaats. Maar in dit corona-Chanoeka-jaar gaan de reguliere besprekingen gewoon door, want die gaan toch per zoom. Dat is het gewone vergaderen geworden.

     

    Dus even recapituleren: Vrijdag, een dag dat ik zeker in deze periode van het jaar vanwege het vroege begin van de sjabbat, nooit vergaderingen heb, had ik dus een vergadering van 1½ uur. Ik zit q.q. in tal van Comités van Aanbeveling. Daarin doe je niet meer dan ‘erin zitten’. Maar er zijn besturen die geen ‘in-zit’ maar ‘in-zet’ vereisen. Speciaal als die te maken hebben met ethische vraagstukken die op gespannen voet kunnen staan met de gangbare huidige visies van alles-mag-en-alles-kan. Als er wetgeving is, dan is het duidelijk, maar niet alles laat zich in wetgeving vertalen en dan ontstaat er een ‘strijd’ tussen opvatting over vrijheid van G’dsdienst, over ‘mijn waarden’ en ‘hun waarden’. Eigenlijk dus de Chanoeka-strijd. Laat ik iets concreter zijn. In een van de dagbladen las ik dat er ook in Nigeria baby-fabrieken zijn. Straatarme tienermeisjes worden van de straat geplukt, zwanger gemaakt met als doel kinderen te kweken die verkocht kunnen worden. Onacceptabel! Wij Nederlanders nemen hiervan met afschuw kennis. Maar in ons geciviliseerde Nederland gebeurt precies hetzelfde! Iedereen weet het! Vrouwen uit Oostbloklanden worden naar Nederland gelokt en belanden als slavinnen in de prostitutie. En niemand doet er iets aan. Waarom hiertegen niets wordt ondernomen? Vraag het de verantwoordelijken die bij machte zijn om er nu iets tegen te ondernemen, maar dat nalaten. Te zijner tijd over een x aantal jaren krijgen we vast en zeker een analoge toestand over dit onderwerp, gelijk er nu gaande is over de kindertoeslagaffaire. Maar het leed is dan al geschied en zal onherstelbaar zijn. De vergadering ging niet over de kindertoeslag-affaire en zelfs niet over de uitbuiting van buitenlandse vrouwen, maar wel over waarden en normen die onder vuur liggen. Nederland is een multiculturele samenleving waar ook voor afwijkende visies, binnen het kader van de wet, ruimte moet zijn.

     

    Na deze vergadering snel bloemen gekocht, mijn taken verricht die ik altijd doe voor het begin van de sjabbat, de menora aangestoken en toen: kwam sjabbat, kwam rust!

     

    En direct na sjabbat, zaterdagavond om 17:23 uur, begon bijna meteen de voortzetting van de Chanoeka-toer. Om 17:30 uur was Sara van Oordt hier met camera. Ik moest het derde kaarsje aansteken en daarbij in het Nederlands een Chanoeka gedachte brengen. Die moest dan meteen worden opgestuurd naar het secretariaat van de RCE, Rabbinical Center of Europe ten behoeve van LIGHTINGEUROPE#. Wat ze er precies mee gaan doen, was me niet helemaal duidelijk, maar: u vraagt en wij draaien. Daarna met het derde lichtje op de achtergrond brandend een toespraak in het Engels met daarin een oproep om juist vooral thuis de menora aan te steken, juist nu het buiten niet kan. Ik ben een half uur bij de menora blijven zitten en toen naar Kampen, waar in de voormalige sjoel de Menora zou worden aangestoken.

     

    Voorafgaand aan Kampen was er donderdag onduidelijkheid ontstaan. Vorige jaren werd een grote Menora voor de voormalige synagoge aangestoken, buiten aan de IJsselkade. Maar dit jaar werd, zo had ik het begrepen, geen toestemming gegeven om deze happening buiten te doen in verband met Cororna. En dus bood de conservator van Gemeentemuseum, waaronder de voormalige synagoge valt, aan om het aansteken van de Menora in de voormalige synagoge te doen. Maar dan kunnen er slechts een paar mensen aanwezig zijn. Uiteindelijk had de burgemeester geen bezwaar tegen buiten, maar toen had de idee om binnen de Menora aan te steken al zoveel emoties losgemaakt, dat het organiserend comité niet meer naar buiten wilde. Maar nu bleek binnen ook een probleem te hebben want je kunt natuurlijk niet in een museum, waar waardevolle kunstwerken aanwezig zijn, een vuurtje gaan stoken. En hoewel het vlammetje van de Menora maar heel klein is, toch… Uiteindelijk werd ik dus zaterdagavond om 19:45 uur in de Gouden Zaal van het Stedelijk Museum van Kampen ontvangen door de conservator van het museum en de burgemeester en de bestuurders van het organiserend comité. Waarom al die eer en dankbaarheid? Ik weet het niet en om heel eerlijk te zijn: ik kan er niet zo goed tegen. Maar ik heb het bijzonder gewaardeerd. Die bijeenkomst had een heel merkwaardig karakter. Chanoeka is het inwijding -feest. Het is dus een feest. Maar toen ik de kaarsjes in de voormalige sjoel aanstak benam de emotie mij. Sinds 1942 was in deze synagoge geen menora meer aangestoken, omdat er in Kampen geen Jood meer was overgebleven. En daar stond ik dan. Gesteund door de conservator van het museum, de burgemeester en de leden van het organiserend comité en een scala aan lokale pers. De vlammetjes van de Menora in de sjoel van Kampen spraken boekdelen. Hoop, verwachting. Vlammetjes die de eeuwen hebben weten te trotseren, ondanks alles. Maar ook vlammetjes waarin de namen van allen die vermoord waren bijna te lezen waren. Iets van voor de oorlog kwam heel kort weer even terug, dertig minuten lang……

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks ophttps://niw.nl/category/dagboek/

     

  • Dakloze mag ’s nachts op straat blijven…. Dagboek van een Opperrabbijn 24 januari 2021

    Deze krantenkop zag ik in het RD van zaterdag. In eerste instantie dacht ik een mooie en legale uitweg te hebben gevonden om ook na 21:00 uur en voor 4:30 uur gewoon op straat te kunnen blijven. Stel ik word aangehouden dan kan ik zeggen dat ik ruzie had met mijn dierbare echtgenote en het huis ben uitgezet. En dus ben ik dakloos, geen speld tussen te krijgen! Maar na mijn primaire inventieve reactie, schrok ik. Een medemens dat dusdanig arm of ziek is, om welke reden dan ook, mag gedurende de koude nachten gewoon op straat blijven.Wat een gunst van de Overheid. Hij hoeft zelfs geen verklaring te tonen dat hij dakloos is. Lieve lezers van mijn dagboek, u leest het echt goed: een straatarme dakloze mag dakloos blijven. Ik herhaal: een dakloze mag ’s nachts gewoon op straat blijven! Ik denk dat de beste reactie hierop is ……………………… om sprakeloos een paar regels over te slaan!

     

    Mijn vriend en collega rabbijn Shimon Evers hield sjabbat, zoals iedere week, een prachtige leerzame toespraak. Maar ook legde hij een grappig verband met de Sidra van de week. Donderdag jl. werd er door onze regering besloten om over te gaan tot het instellen van de avondklok. En wat was de Thora tekst die donderdag centraal stond: ‘Geen mens gaat de deur van zijn huis uit tot de morgen (Exodus, 12:22).’De avondklok is dus voor ons Joden niets nieuws, want de Thora maakt er reeds gewag van! Een niet-joodse vriend, voormalig collega in het Sinai Centrum en top-psycholoog heeft mij eens omstandig uitgelegd dat humor een mechanisme is om te overleven en dat daarom bij Joden zoveel humor aanwezig is. Dus lach ik maar om de beperkingen die de avondklok met zich meebrengt. Maar ik neem ze wel uiterst serieus. Dat er discussie is over het nut hiervan moge duidelijk zijn, maar niet aan mij om me in de discussie te mengen. Wij moeten ons gewoon aan de wet houden en ik ben ervan overtuigd dat als iedereen van meet af aan zich had gehouden aan de beperkende bepalingen er nu geen avondklok zou zijn geweest. Maar het is zoals het is. We gaan verder en maken er het beste van, met, en af en toe ook zonder, humor!

    Mijn dagboek van donderdag over de Nationale 4 mei Herdenking op de Dam heeft een gigantisch bereik gehad. Zelfs in HP/de Tijd werd ik geciteerd, waarschijnlijk overgenomen van de Twitter die het NIW de wereld had ingestuurd.

     

    Overigens las ik in het papieren NIW een ingezonden mededeling waarmee ik het niet eens ben. “Een rabbijn maakte bij de burgemeester van Amstelveen bezwaar tegen struikelstenen ter herinnering aan onze geloofsgenoten die in de Holocaust vermoord werden. Dit omdat de (niet-Joodse) bedenker ervan de stenen soms op sjabbat zou plaatsen………Ik denk niet dat mijn grootouders, vergast in Sobibor, de dag van de plaatsing bezwaarlijk hadden gevonden…”Ik weet niet of het inderdaad klopt dat de rabbijn dat gezegd zou hebben, weet ook helemaal niet wie die rabbijn is, wil dat ook niet weten, maar voel de behoefte om deze mogelijke uitspraak van de rabbijn te nuanceren omdat rekening houden met elkaar en wederzijdse tolerantie voor mij belangrijk zijn. Struikelstenen worden doorgaans voor meerdere huizen tegelijk neergelegd. Het lijkt mij dat het dan niet juist is dat sommige nabestaanden/familieleden wel kunnen komen en anderen, die er wellicht erg graag bij hadden willen zijn, niet kunnen komen omdat de plechtigheid op sjabbat valt. Een goede vriend van mij (een bestuurder van een Joodse gemeente) die absoluut thuis en ook op vakantie niet-koosjer eet, eist dat als er ergens in den lande een plechtigheid is, dat er dan voor mij én voor hem een koosjere maaltijd of koosjere cake is. Hij vindt het ongepast dat ik met een koosjer gebakje zit en hij, als vertegenwoordiger van de Joodse Gemeente en vooral als mede-Jood, met een niet-koosjer taartje wordt opgezadeld. De meeste Joden zijn fel gekant tegen een verbod op koosjer slachten, ook Joden die zelf nooit koosjer vlees eten. Ik vind het dus respectvol, en velen met mij, dat er bij het leggen van Struikelstenen rekening wordt gehouden met het Jodendom op zo’n manier dat alle Joden, ongeacht wel of niet zich aan de wetten houdend, aanwezig kunnen zijn. Enige jaren geleden werd ik gevraagd of ik een toespraak wilde komen houden bij zo’n plechtigheid. De voorgestelde datum was echter de eerste dag Pesach. Ik heb het organiserend comité uitgelegd dat ik erg graag wil komen, maar op Pesach is mij dat helaas niet mogelijk omdat het Jom Tov is en ik dan in sjoel moet zijn en überhaupt dan niet kan rijden met de auto. Na enige dagen kreeg ik als antwoord dat de datum niet gewijzigd kon worden en dat Hitler ook geen rekening hield met de Joodse Feestdagen. Ik heb dit antwoord als zeer kwetsend ervaren en getuigen van weinig tolerantie. Ik vind niet dat een rabbijn het leggen van Struikelstenen moet willen tegenhouden, maar hij mag wel proberen dat de plechtigheden op dagen worden gehouden waarop alle Joden, vroom en vrij, aanwezig kunnen zijn zonder gewetensbezwaren. Dat dat verlangen voorzichtig en zorgvuldig gepresenteerd moest worden en misschien in dit geval niet juist is gebracht of begrepen, snap ik. Maar met enig creatief denken moet dat toch echt lukken en toont het dat wij als Joodse gemeenschap ondanks onze diversiteit toch een eenheid vormen.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks ophttps://niw.nl/category/dagboek/

  • Dank politie, ik voel me veilig! Dagboek van een Opperrabbijn 17 augustus 2020

    Omdat ik af en toe wat achter loop en nooit de hele krant lees viel mij nu pas een artikel op met als titel:” Namenmonument doet geen recht aan werkelijkheid (RD zaterdag editie)”. De schrijver, mijn vriend en gewaardeerde collega Lody B. van de Kamp, eindigt met een duidelijk en begrijpelijk “ik kan niet anders dan me verzetten tegen dit bouwwerk”. Wat speelt hier? De nazi’s organiseerden hun moordmachines op zo’n manier dat Joden zelf een onderdeel werden van de vernietiging. In de kampen werden Joden aangesteld om hun mede-Joden als slavendrijvers te pijnigen, te kwellen, dood te slaan. En als de treinen aankwamen in Sobibor werden ze opgewacht door mede-Joden die vooral opgewekt moesten kijken opdat de aangekomen slachtoffers niets vermoedend de gaskamers zouden ingaan voor een ‘ontsmettingsdouche’.  En als ze niet zorgeloos genoeg klaarstonden, gingen ze zelf de gaskamers in. Het oprichten van de Joodse Raad was ook een onderdeel van de moordmachine. Joden moesten mede-Joden opdragen om braaf op transport te gaan. Van de Kamp vindt het onacceptabel dat op een en dezelfde Namenwand slachtoffers en daders worden genoemd. Tussen haakjes: er waren zeker vele Joden die zichzelf lieten doden en weigerden ook maar iets hun medegevangenen aan te doen. Hun zielen bevinden zich nu gigantisch hoog in het Gan Eden. het Paradijs, en een Eeuwige beloning is hun deel geworden.

     

    Ik begrijp van de Kamp, maar ik deel zijn mening niet. Ik zie die namenwand als een grafzerk voor hen die zelfs geen graf was vergund. Dat er dan tussen de slachtoffers ook namen worden vermeld van mensen die hun medegevangenen afranselden omwille van hun eigen levensbehoud………ook op een begraafplaats waar mensen hun laatste rustplaats hebben gevonden, liggen mensen begraven met wie je eigenlijk niet begraven had willen worden.  Dat dit schrijnend is begrijp ik erg goed. Ook ik ken een man die, volgens een overlevende, als een kapo in het concentratiekamp bijzonder goed (slecht dus!) zijn taak heeft uitgevoerd en daardoor heeft kunnen overleven. Hij werd zelfs een bestuurder binnen Joods Nederland en was niet altijd even vriendelijk tegen mij. Maar ik weigerde mijn kennis over zijn verleden te misbruiken. Want wat was de waarheid? Moeilijk achter te komen. Want ik ken namelijk ook een man die voor het oog van de wereld een wrede kapo was, maar juist daardoor vele heeft weten te redden. En hoezeer ook ik de opstelling van de Joodse Raad veroordeel, in Enschede heeft de Joodse Raad veel Joden juist weten over te halen om te gaan onderduiken. Maar ik wil het geheel nog gecompliceerder maken. Gisteren sprak ik een man die mij vertelde dat zijn vader in Westerbork belast was met het reinigen van de rioleringen. Met een kruiwagen vol poep liep hij dagelijks het kamp uit. En bij tijd en wijle verstopte hij dan een gevangene onder de viezigheid en reed hem zo het kamp uit, de vrijheid en kans op overleving tegemoet. De gevangene ademde, zo vertelde hij mij, via een rietje dat boven de viezigheid uitstak. Op deze manier heeft hij meerdere mensen het leven gered.  Twee neven van mijn moeder, oom Benno en oom Jacob uit Denekamp, hebben ook Westerbork weten te ontvluchten en hebben beiden de oorlog overleefd. Maar……….doordat zij of de mensen in de kruiwagen ontvlucht waren, werden anderen op transport gesteld. Want de trein moest vol. Ik ben voor de namenwand. Ieder mens heeft recht op een graf. Op z’n minst een grafzerk zonder graf. En de beoordeling of een enkeling er ten onrechte opstaat, laten we aan Boven over. Het Jodendom gaat in het strafrecht ervan uit dat het beter is om een schuldige ongestraft te laten rondlopen, dan een onschuldige ten onrechte te veroordelen. En bovendien: de grote meerderheid, 99,9%, was zonder meer slachtoffer. Zij gingen rechtstreeks de gaskamers in. Ik zie graag op z’n minst hun namen vereeuwigd, maar ik begrijp van de Kamp erg goed. Misschien kijk ik er anders tegenaan omdat alle vier mijn grootouders de oorlog wel hebben overleefd. Bij vd Kamp lag dat anders.

     

    Een telefoontje: u spreekt met Cees. Hier in Maastricht is zojuist een Jood op de markt in elkaar geslagen. Het gaat helemaal de verkeerde kant op. Blijft u vooral binnen en zorg dat uw vrouw en kinderen ook de straat niet opgaan. De politie doet niets. Op mijn vraag wie er dan wel in elkaar zou zijn geslagen, geeft Cees aan dat hij dat niet weet. Maar hoe hij dan weet of die man inderdaad Joods is? Ook dat wist hij niet zeker, maar zijn gevoel vertelde hem dat. Zeker is wel dat ik vooral binnen moet blijven, want de politie doet niets.

     

    Ja, alertheid ten aanzien van het opkomend antisemitisme is geboden, maar we leven echt nog wel in een rechtstaat. We zijn geen bananenrepubliek. Recht is in ons land zeker niet krom en de politie beschermt ons waar nodig. Met lede ogen aanschouw ik hoe in Utrecht en in Den Haag en ook in andere plaatsen in ons land politieagenten worden bekogeld en uitgescholden. Onacceptabel. Dag en nacht staat de politie  voor mij klaar. Toen ik een aantal maanden geleden midden in de nacht uit Engeland weer thuis kwam en om 2:30 uur voor mijn huis stond koffers uit te laden, was er binnen een mum van tijd een politieauto om te kijken wie daar voor het huis van de rabbijn stond geparkeerd. Toen ze mij zagen stopten ze meteen en droegen al mijn koffers naar binnen! Maar los van deze piccolo inzet:  Waar ook in den lande ik een lezing geef of aanwezig ben bij een publieke bijeenkomst, de politie is er! Dank Nederlandse politie: ik voel me veilig!

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP  en NIW  publiceren deze bijzondere stukken dagelijks. 

     

  • Dat gaat naar Den Bosch toe Zoete lieve Gerritje; Dagboek van een Opperrabbijn 20 oktober 2020

    Nadat ik gisteravond mijn dagboek had gesloten en verstuurd, ontving ik een bericht dat in Den Bosch, die vriendelijke stad van “Zoete lieve Gerritje”, een demonstratie had plaatsgevonden tegen de corona-maatregelen en dat tijdens deze demonstratie antisemitische kreten pur sang werden gescandeerd. Wie had ooit kunnen bevroeden dat anno 2020 die “Zoete Lieve Gerritje” vanuit mijn jeugd naar Den Bosch zou gaan om daar antisemitische en anti-politie leuzen te gaan verkondigen? Een duidelijke bevestiging van mijn grap over de vraag wie er schuldig is: “De Joden of de lantaarnpaal? Waarop dan als reactie komt: Hoezo de lantaarnpaal?” Een beangstigende ontwikkeling, waarvoor we onze ogen niet mogen sluiten.  Dat was dus het slechte nieuws of toch niet? Want hiermee is het wel duidelijk geworden dat de Joden niet schuldig kunnen zijn aan het Covid-19 virus omdat zij juist de veroorzakers zijn van de anti-coronamaatregelen en dus duidelijk niet van Covid-19 zelf! Of zie ik dat nu precies verkeerd en is dit een te optimistische vertaalslag en zijn wij Joden schuldig én aan het virus zelf én aan de antivirus maatregelen? Maar het echte goede nieuws, want dat is er ook altijd, is de boom van Anne Frank:

     

    Mijn echtgenote ontving van onze vriendelijke, uit oost Europa afkomstige en bejaarde tuinman de volgende e-mail: U e-mail heb ik gelezen. Deze week zal alle dagen regenen, behalve zaterdag. Maar dan viert u Sabbat. Volgende week maandag en dinsdag zal droog zijn. Maar dat moeten te zijner tijd nog een keer bekijken. Natuurlijk kom ik, als droog is. Een heel zeldzaam nieuws wil ik U vertellen: afgelopen week was ik gast bij mijn vriend in Flevoland. Hij was de directeur van de vermeerdering bedrijf daar voor de boomkwekerij. Hij heeft in zij tuin een jonge wilde kastanjeboom (Aesculus hippocastanum), die dit jaar droeg eerst vruchten. Hij vertelde, dat die kastanjeboom een van de 8 Kastanjebomen zijn die zijn broer heeft van Anne Frank Kastanje boom vermeerderd. Hij gaf me twee vruchten met de opzet een aan U te geven, een aan onze Dominee. Dat vond ik heel attent van hem. Maar, die heb ik nu in de koelkast gestopt om koude inductie te krijgen. In maart probeer ik in een pot bij mij te ontkiemen, en als dat lukt, kan ik de ene voor U voor € 0,- aanbieden. Ik hoop dat de vrucht gaat ontkiemen en ben onder de indruk van zijn bemoedigende schrijven. Gewoon, direct uit het hart, zonder franje en het zal geen krant of Facebook halen, alleen dus mijn dagboek.

     

    Ik was vandaag verder bezig met naspeurwerk over de vraag of iemand wel/niet Joods is, de organisatie rondom een overlijden en Ysselsteyn is nog steeds niet over, want er zijn er die inderdaad van mening zijn dat ook onze agressors en moordenaars geëerd moeten worden binnen het kader van verzoening! Er wordt mij hierbij vermeld dat inwoners van Ysselsteyn door geallieerde soldaten vermoord waren en dat ook de Nederlands soldaten in Indonesië herdacht worden, ondanks hun begane oorlogsmisdaden. Dat de moordenaar van Anne Frank, die ook op het ereveld ligt van Ysselsteyn, geen lof dient te verkrijgen, begrijpt de schrijver van de brief aan mij, maar toch……! Hij schijnt te vergeten dat ik geen bezwaar heb tegen respect tonen naar de jonge Duitse soldaten die gesneuveld zijn en gedwongen in het leger zaten. Mijn bezwaar betreft de SS’ers en SD’ers die geheel vrijwillig aan de Endlösung meewerkten en die daar ook in groten getale begraven liggen.

     

    Ondertussen ben ik benieuwd hoe er vanuit de Bisschoppen gereageerd gaat worden op het artikel in het laatste NIW over de (niet goede) positie van Paus Pius XII, de oorlogspaus. Verder was ik vandaag onaangenaam verrast over een artikel op de opiniepagina van het RD over de zorg in Christelijke kring dat christenen aan de voeten van rabbijnen het Oude testament gaan leren. Dit gaat uit van een Christelijke organisatie die vanuit Israel werkzaam is. Ik was ook gevraagd om regelmatig artikeltjes voor ze te gaan schrijven, maar bij nader inzien heb ik me hiervan gedistantieerd om redenen die ik niet aan het digitale papier wil toevertrouwen. Ondertussen heb ik mezelf ook een spiegel voorgehouden, want ik heb best veel Christelijke contacten. Wil ik Christenen bekeren? Absoluut niet. Ik wil coalities vormen, samen strijden voor de terugkomst van het geloof in G’d, voor moraliteit gebaseerd op Bijbelse waarden, voor het gezin als hoeksteen van onze samenleving en tegen antisemitisme. En als ik spreek over strijden, denk ik niet, G’d behoede, aan wapens maar aan gesprek, aan shalom, met gelovigen van andere denominaties en ook met ongelovigen, want ook ongeloof is een religie.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks opwww.niw.nl

  • Dat zo’n figuur mijn familie moet gaan herdenken……. Dagboek van een Opperrabbijn 20 januari 2021

    Het is inmiddels woensdag 23:15 uur. Ik ben net thuis. Een lezing gegeven in Gorinchem. Uiteraard zonder zichtbaar publiek, maar wel in een professionele studio en enige honderden die thuis zaten te kijken en naar verwacht vele duizenden die nog naar de uitzending op een later tijdstip zullen kijken. Ik ben er ondertussen wel aan gewend. Als ik dadelijk weer voor zichtbare mensen mag spreken zal het nog wennen worden om voor echte toehoorders een lezing te houden. Een lezing met in het midden een kwartier pauze met thee. Publiek dat mij gewoon in het echt kan zien en ik die de aanwezigen kan aankijken. Nu moet u weten dat ik gewoon was om van de gezichten af te lezen of ik dieper op de materie moest ingaan, of het tijd werd voor een parabel of een grap om de mensen bij de les te houden. Omdat ik nu begin te beseffen dat we eind deze week nog nauwelijks naar buiten mogen (goed voor m’n conditie? Niet dus.) heb ik vandaag mijn snel-wandeling van een uur gehouden in plaats van de gewoonlijke 25 minuten.

     

    Ondertussen blijven de condoleances binnenkomen per e-mail, op facebook (zo is me verteld, want ikzelf kom niet op facebook) en de telefoon staat nauwelijks stil. Zoveel warme en mooie woorden. Ook een e-mail die me adviseerde om me te bekeren. Was goed bedoeld, maar het voorstel heb ik resoluut afgewezen zonder enige vorm van overweging. Mocht de schrijfster van die ellenlange e-mail dit dagboek lezen, dan hoort ze bij deze dat ik niet gecharmeerd was van haar poging tot bekering en ik ook niet de moeite heb genomen om op haar e-mail te reageren. Bekering is voor ons Joden een beladen onderwerp dat nog steeds leeft. ‘En’, zo hoor ik u denken, ‘je bent toch zo goed met de Christenen voor Israel?’ Lieve mensen: zij doen niet aan bekering! Ik ken hun drijfveren, ik weet hun achtergrond, ik ben op de hoogte van hun statuten en ben in bijna dagelijks contact met ze. Samen vechten we voor Israel en tegen antizionisme. Bekeren? Zij hebben vele geloofsgenoten die hun pro-Israel optreden sterk afkeuren en hun euvel duiden dat zij niet aan zending onder Joden doen. Want ze doen wel aan bekering, maar dat is een andere bekering. Zij proberen de kerken te bekeren om hun anti-Israel houding te wijzigen in een pro-Israel benadering!

     

    Waarom ik dat nu aankaart? Niet vanwege die sukkelige brief van die mevrouw, maar omdat de Jewish Agency de samenwerking met een Canadese christelijke organisatie, genaamd Return Ministries, is gestaakt omdat er een gerucht de ronde deed dat ze proberen te bekeren. De voorzitter van die organisatie is een Messias belijdende Jood. En hoewel ieder mens voor zichzelf verantwoordelijk is en mag doen wat hij niet laten kan, is dit wel storend. Een bekeerde Jood die Joden naar Israël wil brengen? Zelf dus zijn Jodendom overboord heeft gegooid, maar niet zijn mede-Joden wil bekeren? Voor mij een contradictio interminis! En dus begrijp ik de Jewish Agency volledig.

     

    En terwijl die mevrouw me dus probeert weg te troggelen bij het Jodendom las ik vandaag in het gezaghebbende Brits dagblad the Guardian dat uit een recent onderzoek blijkt dat vele Britse Joden bang zijn om met tekenen van hun religie, zoals een keppel en een davidster, zich in het openbaar te vertonen. Opkomend antisemitisme, dat steeds meer het ‘normaal’ wordt! Laat die bekerende mevrouw daaraan haar tijd besteden en mij met rust laten. Deze bekeringspoging koppelen aan het overlijden van onze zoon ervaar ik als onfris, want dat deed ze!

    Ondertussen blijkt uit de gigantische hoeveelheid steunbetuigingen, resultaat van mijn dagboek, dat ik een breed lezerspubliek heb opgebouwd. Kennelijk ben ik niet de enige die dat weet. Want, en nu komt het, ik ben vandaag vanuit vier verschillende kanten benaderd met het verzoek om aandacht te besteden in mijn dagboek aan de keuze van de spreker bij de jaarlijkse Nationale Dodenherdenking op 4 mei. De keuze van het Comité 4 en 5 mei is zowaar gevallen op een figuur die bij diverse gelegenheden zich antisemitisch zou hebben uitgelaten. De Jewish Telegraph Association (JTA), die doorgaans goed geïnformeerd en secuur is, heeft er een heel artikel aan gewijd en de uitspraken die de spreker gedaan zou hebben, liegen er niet om. Ik ben er zeker van dat ook het NIW van deze week er onderbouwd aandacht aan zal besteden. Onbegrijpelijk dat deze Abdelkader Benali, die niets heeft met de jaren ’40-’45, bij dezelfde herdenking gaat spreken waar vorig jaar onze koning Willem Alexander op briljante wijze precies dat heeft verwoord waarop speciaal Joods Nederland al zolang zat te wachten. Wat was dat een bemoediging! En nu komt deze figuur…? Ik snap het niet, ik heb het gevoel dat 4 mei mij wordt ontnomen, maar ik hoop dat ik alles verkeerd begrepen heb, de JTA verkeerde informatie heeft gekregen en de verschillende e-mails met quotes die verre van Jood-vriendelijk zijn, gewoonweg op een misverstand berusten en nooit zijn geuit. Maar mocht onverhoopt alles wel kloppen: Dat zo’n figuur mijn familie moet gaan herdenken……ik snap het gewoonweg niet.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks ophttps://niw.nl/category/dagboek/

     

  • De ambassadeur als beproeving

    Hoewel het Joods Nieuwjaar en de Grote Verzoendag in het Nederlands vaak worden aangeduid als de Hoge Feestdagen, is het beter om te spreken van de Ontzagwekkende Dagen.  Om de een of andere onverklaarbare reden is het behalve de week voor de Ontzagwekkende Dagen, dagen van diepe bezinning, voor mij dit jaar ook de Maand van de Ambassadeurs.

     

    Met de ambassadeur van Israël heb ik zeker wekelijks whatsapp contact en de laatste weken hebben we elkaar ook fysiek vele keren ontmoet. Maar vandaag ontving ik een uitnodiging van de ambassadeur van Hongarije om op zijn ambassade te komen lunchen.  Maar indien ik niet reis, zo schrijft hij, dan is hij zeker bereid om naar mij te komen. Wat hij precies bedoelde met “indien ik niet reis” weet ik niet, want voor mijn gevoel “doe ik niet anders dan reizen”.

     

    Maar behalve Hongarije en Israel ontving ik ook een uitnodiging van de ambassadeur van Litouwen en de ambassadeur van Japan om aanwezig te zijn bij de opening van een fototentoonstelling genaamd “Kindness of One” geïnspireerd door het verhaal van de Nederlandse diplomaat Jan Zwartendijk en de Japanse diplomaat Chiune Sugihara die in 1940 duizenden visums hebben geregeld om Joden in Litouwen daarmee de gelegenheid te geven Litouwen te ontvluchten en zo aan de Endlösung te ontkomen.

     

    Jan Zwartendijk en Chiune Sugihara zijn ook uitgebreid aanwezig op de tentoonstelling “Redders in Nood” in het Israel Producten Centrum in Nijkerk. Het trieste is dat deze twee reddende engelen niet alleen na de oorlog geen erkenning hebben gekregen, maar integendeel: Sugihara heeft in de gevangenis gezeten en onze Zwartendijk kreeg na de oorlog in plaats van een Koninklijke Onderscheiding een reprimande van het ministerie van Buitenlandse Zaken voor het redden van duizenden Joden. Sick! Die reprimande heeft hem zeer diep geraakt, zijn leven werd hier verder door getekend.

     

    Dat heette dus bevrijd Nederland. Ik voel de woede in mij opkomen en denk dan meteen aan mijn lieve vader die ook na zijn afschuwelijke onderduikperiode verre van een 'welkom-terug' heeft gekregen, gelijk de overgrote meerderheid van de Joodse overlevenden. Na de oorlog, ja u leest het goed, zijn nog bij mijn vader ruiten ingeslagen. Niet door moslims, maar door ‘gewone’ Nederlanders!

    Even terug naar al die ambassadeurs: Waarom, zo vroeg ik me af, plotseling al die ambassadeurs zo vlak voor de Ontzagwekkende Dagen?

     

    De Baal Sjemtov, de stichter van het Chassidisme, heeft steeds onderstreept dat uit alles dat een mens tegenkomt een les valt te halen. Op Rosj Hasjana, Joods Nieuwjaar, wordt het komende jaar vastgelegd en bepaald. Wie rijk zal worden, gezond, enz. Maar ook wordt het gehele wereldgebeuren vastgelegd. Wordt het Trump of Biden.

     

    Natuurlijk zullen beiden campagne moeten voeren en zal het Amerikaanse volk moeten stemmen, maar wie er wint wordt op Rosj Hasjana al bepaald. Of we dan wel of niet nog invloed kunnen uitoefenen op het verloop van 5781, zal ik nog wel een van de komende dagboeken behandelen, vermoed ik.

     

    Maar een ding is zeker: onze gebeden en onze opstelling gedurende de Ontzagwekkende Dagen zijn op het komende jaar van invloed. En dus, als ik plotsklaps een aantal onverwachte ontmoetingen krijg met ambassadeurs, is dat geen toeval maar wordt van mij kennelijk verwacht dat ik hun beïnvloed om ten opzichte van Israël en de Joodse Gemeenschap in hun landen een positieve opstelling te betrachten. Kennelijk wil G’d van mij dat ik niet uitsluitend mezelf probeer te verbeteren (en dat is al een flinke klus!), maar dat ik ook mijn opgebouwde netwerk breed ga inzetten om voor de samenleving een goed en gezegend jaar te verkrijgen. Zo heeft ieder zijn taak en opdracht.

     

    Maar waar ook ik voor moet waken is hoogmoed. Die ambassadeurs zijn poppetjes die ik ten goede kan aanwenden, maar diezelfde poppetjes kunnen ook valkuilen zijn of zelfs handlangers van de afgod genaamd “IK”.  Die ambassadeurs bieden dus niet alleen de mogelijkheid voor mij om ze te gebruiken in de strijd tegen antisemitisme, antizionisme en iedere andere vorm van onrecht, maar ze zijn multifunctioneel. Want ze zijn ook allen beproevingen: gebruik ik ze ten goede of misbruik ik ze voor mijn eigen roem en hunker naar eer?

     

    Zondag jl. was ik in Postdam, Duitsland. Er was een feestelijke bijeenkomst vanwege een nieuwe Thora die de Joodse Gemeente, de Synagogengemeinde, had gekregen. De Joodse Gemeente beschikt weliswaar over een aantal gehuurde lokalen waar de synagogediensten worden gehouden, maar een eigen gebouw, een echte sjoel, is er nog niet. Maar die is wel in de maak. De Landesregierung van Brandenburg, waar Postdam onder valt, heeft de Joodse Gemeenschap toegezegd om een plaatsvervanger te bouwen voor de vorige synagoge die in de Kristalnacht in vlammen opging.

     

    Geweldig dat ze een nieuwe synagoge gaan bekostigen! Maar één probleem: de Landesregierung wil bepalen hoe die synagoge er uit gaat zien en geeft geen ruimte aan de Joodse gemeenschap om zelf de inrichting en het aangezicht te bepalen. In mijn toespraak omschreef ik dit als volgt: normaliter is er eerst een synagoge en daarna wordt de Thora binnengeleid. Hier was het precies andersom: de Thora is er al, maar de synagoge moet nog gebouwd worden. De les: de Thora moet de synagoge, het omhulsel, bepalen en niet het omhulsel, het gebouw, de Thora.

     

    Van alles wat op onze weg komt moeten we iets leren, speciaal in deze week voor de Ontzagwekkende Dagen. Mijn lichaam is de synagoge en de Thora mijn bezieling. Wie laat ik de boventoon voeren?   

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

     

  • De bisschop, Deuteronomium 11:20 en Beiroet - Dagboek van een opperrabbijn

    Een bisschop en een rabbijn wonen in dezelfde straat. Op een zekere dag komt de bisschop helemaal neurotisch bij de rabbijn. In de buurt wordt namelijk heel veel ingebroken en de bisschop, regelmatig slachtoffer, vraagt aan de rabbijn of hij er ook zoveel last van heeft. Tot zijn stomme verbazing antwoordt de rabbijn dat bij hem nooit wordt ingebroken. Hoe dat kan?

     

    De rabbijn legt uit dat hij aan zijn deurpost een mezoeza heeft, een perkamentje met een voorgeschreven Bijbeltekst (zie: Deuteronomium 11:20). Verrast door de beschermende kracht van een mezoeza vraagt de bisschop of zo’n mezoeza ook zijn huis beveiliging zal geven tegen inbraak. De rabbijn stelt voor om het te proberen en geeft de bisschop een mezoeza. Na twee weken komt de bisschop volledig over zijn toeren weer bij de rabbijn. En, vraagt de rabbijn, heeft de mezoeza gewerkt? Heb je geen last meer gehad van inbrekers? De bisschop geeft toe dat geen inbreker hem meer heeft bezocht, maar dat hij stapelgek werd van de bedelaars die dachten dat zijn huis een Joodse bewoner had en wisten dat Joden bedelaars niet met lege handen laten vertrekken………...

     

    Aan deze grap moest ik denken toen afgelopen sjabbat het deel uit de Thora centraal stond waarin onder andere de verplichting van het plaatsen van een mezoeza ‘aan al uw deurposten en poorten’ gelezen werd. Er staan meerdere wetten in de Thora vermeld waaraan een beloning zit gekoppeld. “Eert uw vader en uw moeder, opdat u een lang leven beschoren zal zijn” en zo kan ik nog vele voorbeelden brengen. En ook bij de mezoeza wordt vermeld dat het naleven van dit gebod jou en je nazaten een lang leven zal geven. Maar de vraag rijst dan of het juist is om de ge- en verboden te volgen vanwege een beloning. En als dat dan niet de juiste opstelling is, waarom vermeldt de Thora dan de beloning? Een van de verklaringen is dat het natuurlijk beter is om te geven met een bijbedoeling dan niet te geven. Vaak heeft iemand een aansporing nodig: een prijsje, een medaille, een applaus. Maar de meest zuivere vorm van het dienen van de Eeuwige is het dienen van Hem om-niet! Zonder bijbedoeling.

     

    Hetzelfde geldt ten aanzien van het geven van liefdadigheid. Geef ik uit eigenbelang, omdat ikzelf er beter van word, of geef ik om te geven? Liefdadigheid heet daarom ook niet in het Hebreeuws liefdadigheid, maar gerechtigheid-tsedaka. Als ik de arme man/vrouw geld geef is dat niet lief van mij, neen, het komt hem/haar toe. G’d heeft mij geld gegeven opdat ik er anderen mee behulpzaam kan zijn: mijn geven is dus een vorm van gerechtigheid, het komt hen toe.

     

    We hebben de afgrijselijke beelden gezien van de ontploffingen in Beiroet. Drama’s! En dus vind ik dat we uit humanitair oogpunt te hulp moeten komen en er keihard voor moeten zorgen dat het geld komt waar het moet zijn. Het feit dat wellicht corruptie de oorzaak van de ramp is, maakt het leed er niet minder om. En daarom ben ik trots en dankbaar dat Israël meteen voor en achter de schermen hulp heeft aangeboden. Voor de schermen door specialistische hulp aan te bieden bij de opsporing van mensen die onder het puin bedolven liggen. Dat vóór de schermen zou nog vertaald kunnen worden als een propagandastunt, een bijbedoeling, eigenbelang. Maar de hulp achter de schermen, is de echte en meest zuivere vorm van naastenliefde. Gaat u naar de ziekenhuizen en zie zelf wie daar ook behandeld worden, zonder enige vorm van publiciteit, en weet dat die vorm van individuele onbaatzuchtige naastenliefde, God zij dank, hoog in de Israëlische vaandel staat!

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP publiceert deze bijzondere stukken dagelijks. 

  • De echte Zeven Wereldwonderen, Dagboek van een Opperrabbijn 13 oktober 2020

    Uiteraard ontvang ik vele e-mails over van alles en nog wat. Fijn dat we ondanks alle lockdown-maatregelen toch nog de mogelijkheid hebben om te communiceren. Zelfs bestaat de mogelijkheid om indien er door de week geen mogelijkheid bestaat om naar de synagoge te gaan voor het ochtend-, middag- en avondgebed mee te doen met de diensten bij de Klaagmuur in Jeruzalem! Het klinkt natuurlijk erg interessant om aan te geven dat je dermate veel e-mails ontvangt dat je geen tijd hebt om ze allemaal te lezen en dus blokkeert. Ik blokkeer niet, geef openhartig toe dat ze niet allemaal mijn interesse krijgen, maar er zitten soms prachtige gedachten tussen. Neem bijvoorbeeld deze, die mooi past bij het Scheppingsverhaal dat we aanstaande sjabbat in alles sjoels ter wereld lezen (als ze nog open mogen zijn!):

     

    Aan een klas op school wordt door de juffrouw gevraagd aan de kinderen om de Zeven Wereldwonderen op te schrijven. Uiteindelijk, na stemmen, kwamen de volgende wonderen eruit: 1/de Pyramides in Egypte; 2/de Taj Mahal; 3/ Grand Canyon; 4/ het Panamakanaal; 5/ Empire State Building; 6/ St Pieters Basiliek; 7/ de Chinese Muur. Er was echter één meisje in de klas dat haar papiertje nog niet had ingeleverd. Op de vraag waarom zij nog niets had opgeschreven zei ze dat ze er niet uit kwam. Er zijn zoveel wonderen op deze wereld, zoveel gebouwen, natuurverschijnselen, technieken, medicijnen. Ik weet niet welke een groter wonder is. Maar eigenlijk denk ik aan heel iets anders als we spreken over wonderen, zei het meisje. Voor mij zijn er wonderen die al die gebouwen, uitvindingen en natuurverschijnselen overtreffen. Ik denk eraan dat ik kan 1/ aanraken; 2/ smaken; 3/ zien; 4/ horen; 5/ voelen; 6/ lachen; 7/ liefhebben. Dat zijn voor mij de Zeven Wereldwonderen. Dat kleine meisje heeft gelijk. En weet u, ik ontmoet juist in deze coronatijd mensen die zo intens dankbaar zijn dat ze gezond zijn, dat al hun zintuigen werken en dat ze ook nog kunnen lachen en houden van.  Wie is gelukkig, wordt gevraagd in de Spreuken der Vaderen, hij die tevreden is met wat hij bezit. En dus ben ik dankbaar dat zoveel mensen aan mij denken en mij e-mails sturen, ook als ze slechts hiervoor eenmaal op een knopje hoeven te drukken.

     

    Ik heb een beetje een soft day. Niets schokkends, maar wel iets heel moois in lijn met de Zeven allergrootste Wereldwonderen. Vandaag was ik in Etrog Amerpoort. Dit is de voortzetting van wat eens de afdeling verstandelijk gehandicapten van het Sinai Centrum was, bekend als de ‘kinderafdeling’. Nog Zeven bewoners van weleer wonen hier in hun nieuwe thuis. Ze eten koosjer, weten zich in een Joodse omgeving en worden met liefde omringd. Maar inmiddels zijn alle kinderen van toen hoogbejaard. Ludwig vierde vorige week zijn 80ste verjaardag. Jaap Kleve is daar een van de ‘oude’ medewerkers en hij zorgt er met een enorme overgave voor dat alles zoveel mogelijk Joods en koosjer blijft. Geweldig zijn inzet. Vanwege de verhuizing naar een nieuwe locatie waren er ook veel nieuwe medewerkers en mocht ik dus aantreden om te vertellen over Jodendom. Altijd weer is het schitterend, bijna ontroerend, te zien hoe medewerkers in de zorg voor mensen met een verstandelijke beperking zich inzetten voor ‘hun’ bewoners. Zij beschouwen hun werk niet als werk maar als roeping en dus willen ze goed de achtergrond van ‘hun’ bewoners weten en bovenal aanvoelen. En dus mag ik terugkomen na dit eerste hernieuwde contact. Ik vind dat ook fijn, want zo kan ik iets betekenen voor medemensen die niet de top van de samenleving vormen, maar gewoon oprecht en kinderlijk eerlijk zijn. Hier ligt mijn hart. Ik denk terug aan mijn werkzaamheden in het Sinai Centrum, aan de gerontopsychiatrische afdeling, de psychiatrie, ambulante zorg en ‘de kinderafdeling’.  Ik mocht ze Joodse les geven. Alef, beet, weet, gimmel….de melodie welt weer in me op. Ze klapten allemaal mee. Zij die konden zingen zongen. Ze omhelsden me, wuifden als ik wegging. En een week later zongen we weer precies dezelfde liedjes. Alef, beet, weet, gimmel, dalet… Jarenlang! En ook vandaag wuifde Sakia naar me toen ze me zag. Ik had haar moeder beloofd altijd een oogje in het zeil te houden, waar nodig voor haar belangen op te komen, als haar moeder er niet meer zou zijn. Waarschijnlijk gelooft u mij niet, maar het werk in de Sinai was zo mooi. Er viel weliswaar geen eer mee te behalen, maar dat was juist het mooie. Als rabbijn krijg je applaus. Ook veel tegenstand, maar als het applaus de tegenwerking overstemt, ben je geslaagd. Steeds politiek, commentaar, politiek. Maar natuurlijk ook steun en instemming. Maar altijd spanning! In mijn Sinai werk was alles uitsluitend gericht op hulp aan de medemens in geestelijke nood of aan de medemens die geestelijk zwaar of geheel hulpbehoevend was. Ik droom terug naar die tijd. Ik voel me weer aanwezig bij de patiëntenbesprekingen. Ik waan me weer in Londen op mijn driemaandelijkse reis met een psychiater en een specialist op het gebied van ouderenzorg om daar de lokale Joodse gemeenschap te helpen, want het Sinai was een topper van een ongekend hoog niveau. Drie dagen waren we dan in Londen voorzien van een bomvolle agenda om te helpen, te helpen en nogmaals te helpen.

     

    Ik word wakker. Die Sinai-tijd is voorbij. Maar is dat zo? Waak je ervoor, zo spreek ik tegen mezelf, om de essentie uit het oog te verliezen. Staar jezelf niet bot op het grote en imponerende werk waarmee je als opperrabbijn kunt scoren! Luister naar dat ene meisje dat de echte Zeven Wereldwonderen wist te benoemen.

     

    Het was een goede dag. Even terug bij het Sinai Centrum. En wat ik eraan overhield? “Een prachtige bos bloemen voor uw Blouma”. Geweldig!

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks opwww.niw.nl

  • De eerste Lockdown, de Ark van Noach. Dagboek van een opperrabbijn18 oktober 2020

    Om 8:10 uur viel sjabbat jl. plotseling de stroom uit. Dat is altijd lastig, maar speciaal op sjabbat omdat ik geen storingsdienst kan bellen (Ook als de telefoon het nog zou doen). Water voor koffie en thee in de sjabbat-ketel was keurig vrijdagavond voor het begin van de sjabbat aangezet, de maaltijd voor sjabbatmiddag stond in de slow cooker te pruttelen, verlichting, freezer en koelkast, verwarming…..niets werkte meer. Ik naar de elektriciteitkast, naast de voordeur, om te kijken of de aardschakelaar wellicht de schuldige was. Maar ook als dit het geval zou zijn geweest, dan nog had ik weinig kunnen doen: Sjabbat! En toen kwam mijn Reformatorisch Dagblad de brievenbus binnenvallen.

     

    Ik meteen de deur opengedaan en mijn elektrische probleem aan de bezorger kenbaar gemaakt. De bezorger van het RD begreep het probleem meteen. “Ik kijk wel even wat er aan de hand is, want u kunt dat niet vanwege sjabbat!”. Hij dook meteen de elektriciteitskast in, kon niets afwijkends vinden en ging vervolgens kijken of er elders in de wijk ook problemen waren. Vijf minuten later was hij terug en vertelde mij dat de hele buurt zonder stroom zit. Op dat moment ging het licht weer aan. Wat was ik blij met mijn Reformatorisch Dagblad dat dus niet alleen de krant brengt, maar ook het licht! En dus ging ik met een gerust hart naar de synagoge waar het begin van Genesis werd gelezen met daarin o.a.: Toen zei G’d “Er zij licht” en er was licht!

     

    Vorige week had ik in mijn dagboek mijn ongenoegen kenbaar gemaakt over de voorgenomen herdenking op de oorlogsbegraafplaats in Ysselsteyn. Reden: daar liggen Duitsers en Nederlanders die in de oorlog zwaar fout waren geweest. Vrijdagmiddag, ruim voor het begin van de sjabbat, een journalist aan de telefoon. Kennelijk was mijn https://niw.nl/een-gezonde-winter/ in de Limburgse mediawereld doorgedrongen. Ik heb de journalist netjes te woord gestaan met als gevolg dat ik na de sjabbat veel reacties op mijn e-mail aantrof. Mijn Ysselsteyn-afkeer had het brede Limburgse publiek via de Limburgse Radio, TV en andere media bereikt.

     

    De Sjabbat en de aan de Sjabbat gekoppelde sjabbatrust was nog nauwelijks voorbij of een collega belt op vanwege een sterfgeval. De vrouw van de voormalige voorzitter van de Joodse gemeente Zwolle was op hoge leeftijd overleden, gewoon ouderdom, maar toch. Heinneringen komen bij mij boven. Regelmatig was ik bij hun thuis voor overleg. Ook een e-mail met de vraag om een oudere man te bellen die vrijdag een slecht-nieuws-bericht had gekregen van zijn huisarts. Ik dus meteen in de telefoon. Kijken wat ik voor hem zou kunnen betekenen. We hebben lang gesproken en blijven contact houden.

     

    En op Sjabbat zelf? Sjoeldienst, maar met minder mensen dan gewoonlijk. ’s Middags gelernd met mijn leerling, de computeringenieur, met wie ik al meer dan tien jaar iedere sjabbatmiddag eerst een uur wandel en dan enige uren lern. Omdat aanstaande sjabbat de geschiedenis van Noach wordt gelezen, doken wij de Ark in (niet fysiek!). Noach kreeg voor het uitbreken van de zondvloed de opdracht van G’d om in de Ark te gaan. En toen het buiten weer droog was moest hij de Ark weer te verlaten. Waarom, zo wordt de vraag gesteld, moest hij opdracht krijgen om de Ark te verlaten. Het was toch droog! Het antwoord bevat een belangrijke levensles. In de Ark heerste een sfeer van echte Sjalom, vergelijkbaar met het Paradijs. Noach vond dat fijn. Waarom de wereld met al zijn beslommeringen en misère intrekken? Maar G’d gaf duidelijk aan dat het afzonderen van de samenleving onjuist is. In die wereld met al zijn beproevingen hebben wij de opdracht om Hem te dienen door juist een bijdrage te leveren aan de ons omringende samenleving, ook als afsluiten voor ons persoonlijk plezieriger zou zijn. Geen Joodse kloosters dus!

     

    Maar voordat de Zondvloed begon kreeg Noach de opdracht om juist de Ark binnen te gaan en zich wel af te sluiten van de wereld. Zonder corona te willen vergelijken met de Zondvloed, zijn er tijden dat wij, u en ik, juist midden in de wereld moeten staan om de medemens te helpen en om te socialiseren, maar er zijn ook perioden dat we tijdelijk juist niet naar buiten mogen, social distance. Hoelang moeten we binnenblijven? Weten we niet. Maar gelijk Noach niet protesteerde en in de Ark bleef toen dat van hem werd verlangd, zo ook moeten wij binnenblijven, ook als we dat lastig vinden. Het is buiten even te gevaarlijk, helaas. Aanstaande sjabbat wordt in alle synagogen ter wereld gelezen over de Ark van Noach, de eerste mondiale Lockdown.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks opwww.niw.nl