Joods Maastricht

Website van de Joodse Gemeente Maastricht

shiurim

  • Zegt u maar jij. Dagboek van een Opperrabbijn 24 november 2020

    Een voormalig leerling van mij ging solliciteren bij een niet nader te noemen instantie. Om die baan te krijgen moest er eerst een sollicitatiegesprek zijn. Twee weken geleden had dat plaatsgevonden. Voordien had hij mij advies gevraagd wat wel te vermelden en wat achterwege te laten. Onwaarheden vermelden, liegen dus, is absoluut niet toegestaan, maar het is niet altijd noodzakelijk en verstandig om ongevraagd alles ter sprake te brengen. Ik legde hem uit hoe mijns inziens het best zo’n gesprek in te gaan en om voor het begin van het gesprek aan de personeelschef, die ik toevallig kende, mijn hartelijke groeten over te brengen. Zogezegd, zo gedaan. Na een goed kwartier stond hij alweer op straat, terwijl voor zo’n gesprek een uur is uitgetrokken. Uitslag zou per e-mail worden bekend gemaakt. Vandaag ontving hij per e-mail de mededeling: aangenomen! En dus kreeg ik, meteen vandaag nog, per e-mail achter in mijn auto het mooie bericht met de toevoeging: dankzij uw groeten heb ik de baan gekregen. Zo’n e-mail achter in mijn auto ontvangen doet me goed. Ik heb van tijd tot tijd bevestiging nodig. Wat me niet goed doet is het achter in de auto zitten. Ik vind dat gewoonweg gênant. Helaas vanwege corona heb ik geen keus, maar dat als een koning achter in de auto zitten, stuit me tegen de borst. Als ik een taxi neem, ligt dat anders. Zo’n chauffeur wil liever niemand naast zich hebben, automatisch neem je achterin plaats. Maar een onbezoldigde chauffeur die mij rijdt omdat hij dat plezierig vindt, niet naast hem gaan zitten, ervaar ik als gênant. Überhaupt vind ik het lastig om ergens vooraan te gaan zitten, terwijl dat wel van mij verwacht wordt. Vaak, als ik ergens acte de préséance moet geven, word ik opgewacht door een delegatie, word ik naar mijn plaats begeleid, braaf handjes geven en vriendelijk knikken, vooral niemand vergeten. Ik kan daar eigenlijk helemaal niet tegen. Reden? Ik ben van nature verlegen. Misschien ziet u dat niet aan mij af, maar dat is wel de waarheid. Alleen ik besef dat ik vanuit mijn positie vooraan moet staan, ongeacht in welke hoedanigheid ik aanwezig ben, in functie of privé. Er bestaat voor mij nauwelijks een privé, zoals er ook bijna geen in functie bestaat: ik ben altijd en onder bijna alle omstandigheden ‘Rabbijn’. En in het spaarzame geval dat ik even niet als rabbijn herkenbaar aanwezig ben, ben ik toch nog altijd de zichtbare orthodoxe Jood. Je kunt het vergelijken met een rechter in toga die de Rechtbank betreedt als iedereen al zit. “De Rechtbank”, wordt uitgeroepen, waarop iedereen zich verheft. Toen ik pas als jonge en nog onervaren rabbijn in Nederland arriveerde en ik voor de eerste keer in de synagoge aanwezig was, kwam een vriend van mij de sjoel binnen en riep duidelijk hoorbaar, de dienst was nog niet begonnen, gut shabbos Binyomin. De toenmalige voorzitter raakte daarover redelijk geïrriteerd en maakte zeer wel duidelijk aan mijn vriendje: Je noemt de rabbijn niet bij z’n voornaam! En tegen mij: mijnheer Jacobs, u bent rabbijn, u wordt geacht steeds enige afstand te bewaren. Hoewel zo’n opstelling niet echt bij mij past, klopt het wel halagisch. Van de Joodse wet wordt een rabbijn geacht enige afstand te houden. Als ik, bijvoorbeeld in Antwerpen, in orthodox Joodse kringen vertoef, word ik in de derde persoon aangesproken. “Heeft u, mijnheer de rabbijn, een goede reis gehad?” Hoewel dit soort protocollaire beleefdheden mij tegen de borst stuiten, hoewel ik er inmiddels toch wel aan gewend ben en het lijdelijk onderga, is het wel van belang. Ondanks mijn jonge leeftijd werd ik ook door mensen die zelfs ouder waren dan mijn eigen ouders, gevraagd te bemiddelen bij bijvoorbeeld huwelijksconflicten. Een collega van mij die zich vanaf dag één bij de voornaam liet noemen, werd nooit gevraagd voor dit soort problematiek. Gevolg is wel dat hij nog steeds lijdt onder het gevoel niet met respect behandeld te worden en het niet aanvaardbaar vindt dat hij publiekelijk met zijn voornaam wordt aangekondigd. De witte jas van de dokter heeft een functie, gelijk de toga van de rechter. En dus schik ik me al jaren in mijn lot. Dit betekent overigens niet dat bijvoorbeeld de geneesheer-directeur van het Sinai Centrum en ik elkaar met U aanspraken. Absoluut niet. Maar als we over elkaar spraken, bijvoorbeeld bij een toespraak, was het Dr. Lansen en Opperrabbijn Jacobs. Doet me even denken aan: zegt u maar jij, want ik haat u.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks ophttps://niw.nl/category/dagboek/

     

  • Zendelingen drammen door, maar ik ook! - Dagboek van een Opperrabbijn

    Met het dagboek van zondag zit ik altijd een beetje in de knel, omdat dat dagboek de vrijdag, de sjabbat en de zondag zelf beslaat. En deze zondag is het extra lastig omdat eigenlijk de donderdag er ook nog aan gekoppeld zit. Want donderdag had ik dus gespijbeld en in plaats van een normaal dagboek had ik de toespraak die ik hield bij de herdenking van de eerste razzia in Twente tot dagboek gedegradeerd. Waarom gedegradeerd, hoor ik u vragen, misschien is de verspreiding van de toespraak wel een promotie omdat het bereik via facebook, NIW en CIP veel en veel groter is dan het beperkte aantal toehoorders daar in Enschede. Tijdens de zoom-vergadering donderdag jl. van het Ojec, Overleg Orgaan Joden Christenen, werd opgemerkt door een van de bestuurders dat het houden van zoom-bijeenkomsten iets is dat we moeten vasthouden, ook na de coronacrisis. Ik was en ik ben tegen.

     

    Als er een bijeenkomst gehouden wordt die uitsluitend tot doel heeft om informatie over te brengen, feitelijkheden, dan kan zo’n zoom-bijeenkomst nuttig zijn. Maar als je doel veel breder is, je wilt namelijk ook mensen motiveren of een bepaalde benadering bijbrengen, dan is juist de fysieke ontmoeting essentieel. Als je tegenover elkaar zit, zelfs met social distance, spreekt automatisch ook de lichaamstaal, de gelaatsuitdrukking, de uitstraling. Lichaamstaal, gelaatsuitdrukking en uitstraling worden bij zo’n zoom-bijeenkomst nauwelijks tot niet zichtbaar. En daarom ben ik blij als mijn toespraak een veel groter bereik krijgt via de sociale media, maar ik ben nog veel en veel blijer als ik vis á vis mag communiceren. De ‘sociale’ dimensie komt veel beter tot zijn recht via de ouderwetse bijna antieke manier van communiceren geheten: de ontmoeting. En dat werd me weer eens zeer duidelijk gemaakt toen ik na mijn toespraak bij de herdenking van de eerste razzia in Enschede, niet wegscheurde, maar nog een tijdje bleef napraten. Mijn toespraak was redelijk fel, waarschuwend en confronterend. En juist die realistische waarschuwing werd opgepakt door alle aanwezigen.

     

    De Commissaris van de Koning, de burgemeester van Enschede en vele particulieren deelden mijn zorg over het opkomend antisemitisme. De een wilde die zorg verbaal met mij delen en maakte mij tot de geestelijk verzorger. En de ander kwam mij uitleggen dat hij mijn zorg erkende en herkende, maar wilde weten hoe we het opkomend antisemitisme kunnen bestrijden.  Dus niet achteroverleunen, maar actie! Dat er in een prominente Franstalige Belgische krant op 14 augustus jongstleden een cartoon had gestaan waarin de Joodse wijk in Antwerpen de coronawijk werd genoemd en dat zoiets gewoon geaccepteerd wordt, baart zorgen. Want, zoals ik in mijn toespraak probeerde duidelijk te maken: de razzia in 1941 had een prelude, die kwam niet zomaar uit de lucht vallen. De aanslag op een hoge nazi-officier door het verzet, was slechts de aanleiding tot de razzia, niet de oorzaak. Het demoniseren van Joden was toen al jarenlang aan de orde en dat speelt zich ook nu weer af. Maar ook die mevrouw die met mij haar zorg deelde, die mijnheer die mijn toespraak graag wilde ontvangen en die niet-joodse scholier die die selfie met mij wilde maken… allemaal ontmoetingen die via de zoom worden weggezoomd.

     

    Maar er is nog een zorg waarmee ik werd geconfronteerd: Zending onder Joden. Een collega benaderde mij per email vanwege een groep zendelingen die actief gewoon hier in Nederland de Joodse gemeenschap probeert binnen te dringen. Werk aan de winkel, dacht ik meteen. Dit laten we niet zomaar voorbijgaan.  Het trieste is, zo schreef de collega, dat op zijn alarm-email slechts één reactie kwam, die van mij. Kennelijk vonden de anderen die waren benaderd het onderwerp niet zo boeiend. We wachten wel af, was kennelijk de houding van de collega-rabbijnen. Er is van buiten het opkomend antisemitisme. Intern speelt de secularisatie. En dan is er ook nog een dreiging die tussen antisemitisme en secularisatie inzit, tussen vanbuiten en vanbinnen: zending. Na de bevrijding speelde dat ook sterk en dat heeft ertoe geleid dat Opperrabbijn Tal zelfs een boekje heeft uitgegeven genaamd ‘Voor ons het Jodendom’. En dus moet ik gaan nadenken hoe dit aan te pakken. Wie zijn die zendelingen? Welke legale wegen kan ik bewandelen om ze uit te schakelen, vraag ik mezelf af. En als die legale wegen er niet zijn, ga ik dan het illegale pad op? Zal ik de PKN inschakelen voor advies?

     

    Ik ben net op, maar alweer moe van al dat gezeur: antisemitisme, assimilatie en dan ook nog de zending erbij! En dan natuurlijk ook nog de persoonlijke aanvallen, vaak gedreven door jaloezie. Want ook Joden kunnen jaloers zijn en vanuit die jaloezie treiteren. Maar ja, dit soort achterhoedegevechten zijn er overal. Ook bij geestelijken van andere denominaties. En zelfs in grote academische ziekenhuizen wordt soms gevochten om posities te verkrijgen, terwijl de patiënt ongeduldig en ziek in bed ligt te wachten op aandacht van de specialist. En ondertussen werken de verpleegkundigen zich kapot.

     

    Conclusie: er is nog heel wat werk aan de joodse en aan de niet-joodse winkel. Als we daarvan doordrongen zijn, is dat al heel wat. Als er een diagnose bekend is, is de patiënt al half genezen, leert de Talmoed ons. Maar ik vrees dat het bewustzijn van alle bovenstaande problematiek bij vele nog ver te zoeken is. En dus is mijn opdracht, zo voel ik dat, frappez toujours. Vertaald in ABN (Algemeen Beschaafd Nederlands): doordrammen!

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. CIP en NIW publiceren deze bijzondere stukken dagelijks.

  • Zo Joods als de poes van mijn buren. Dagboek van een opperrabbijn 7 maart 2021

    Af en toe ontmoet ik ook mensen in het echt. Een van die ‘echte’ mensen was een nog vrij jonge vrouw die ik eigenlijk min of meer toevallig tegenkwam toen ik op weg was naar mijn kantoor. Ze is een medewerker van een fiscaal adviesbureau. Zo’n bedrijf met van die chique stoelen en tafels en een al even chique uurtarief. We kenden elkaar van lang geleden en dus groette ik haar vriendelijk. Maar die oppervlakkige groet ontaardde in een, wat genoemd wordt, pastoraal gesprek.  Ze kwam letterlijk bij mij uithuilen vanwege de rampen die ze moet meemaken. Een aantal van haar cliënten ziet het dusdanig niet meer zitten dat ze spelen met de gedachte om een eind aan hun leven te maken. Het betreft kleine zelfstandige ondernemers die vanwege corona volledig zijn uitgeschakeld. Of ik haar kan adviseren hoe met deze ‘gestoorde’ mensen om te gaan, want ze vreest dat een aantal zich gaat suïcideren.

     

    Onbewust deed dit mij denken aan een ervaring decennia geleden. Op Muiderberg, de Joodse begraafplaats van de Joodse Gemeente Amsterdam waar mijn ouders, grootouders en overgrootouders begraven liggen, bemerkte ik een paar rijen met graven van hele gezinnen en allen met dezelfde datum van overlijden, ergens in mei 1940. Ouders die na de inval van de moffen op 10 mei 1940 besloten om zichzelf en hun gezin de vervolging te besparen en de gaskraan hebben opengedraaid. Hoe weet ik dat ze een eind hebben gemaakt aan hun leven met de gaskraan? Weet ik niet, maar vermoed ik. Want ik kende twee mensen die op die manier ook hun leven ‘uit voorzorg’ hadden willen beëindigen, maar door naasten ervan zijn weerhouden, op het laatste moment. Die twee hebben zonder concentratiekamp en met ‘slechts’ onderduiken, de oorlog overleefd. Zelfmoord (en ook de moderne versie genaamd: voltooid leven) is een zware overtreding en mensen die bewust zich van het leven hebben beroofd mogen daarom ook niet zomaar begraven worden. Voor hen een plaats helemaal aan de zijkant van de begraafplaats, op afstand van de reguliere graven. En toch waren die rijen op Muiderberg niet aan de kant van de begraafplaats.  Ook ik heb helaas een aantal geslaagde zelfmoordpogingen meegemaakt in de loop van mijn rabbinale carrière. Maar nog nooit zijn de overledenen ‘aan de kant’ van de begraafplaats begraven. Gij zult niet doden, geldt ook ten aanzien van jezelf. Maar ‘aan de kant’ is uitsluitend van toepassing indien de zelfmoord volledig bewust is gepleegd. Die mensen uit mei 1940 werden door een gigantische en zeer begrijpelijke angst overmeesterd. En ook de mensen die vanuit wanhoop het niet meer zagen zitten en ik heb moeten begraven waren ziek, niet slecht. Zo ook moeten we aankijken tegen mensen die het gevoel hebben dat alles wat ze gedurende tientallen jaren hebben opgebouwd door corona in een enkel jaar kapot is gemaakt. Ik begrijp hun gevoel en bied de medewerker aan om waar mogelijk te helpen. Ze mag radeloze cliënten naar me toesturen, misschien kan ik iets betekenen of regelen dat de persoon op korte termijn een psychiater kan spreken. Het is geen toeval dat ik sinds kort weer in het Sinai Centrum werk. Maar de les die ik aan de medewerker gaf was dat ze deze radeloze cliënten niet als gestoord kan en mag beschouwen. Ze zijn ziek en een zieke moet je helpen, niet veroordelen. “Regel jij de financiële kant van de zaak. Geef mij de geestelijke begeleiding”.

     

    Nadat ik vorige week door een collega benaderd was over een meisje van een jaar of twintig dat voor de Joodse wet wil gaan trouwen in Marseille, kreeg ik net voor de aanvang van de sjabbat haar aanstaande aan de lijn. Haar aanstaande is Joods en naar vermoeden ook zijn verloofde. De ouders van haar opa en oma, van moeders kant, hadden namelijk in 1937 choepa, religieuze inzegening van het huwelijk, in Nederland gehad. En dus als de moeder van de moeder van haar moeder Joods is, is zij dat dus ook. Of ik het even kan uitzoeken. Allereerst heb ik natuurlijk de aanstaande bruidegom van harte mazzeltov gewenst en verzocht of zijn verloofde mij zelf kan bellen. Dit gaat dus een puzzelwerk worden. Goed luisteren naar haar verhaal en zoeken naar aanknopingspunten. Had haar betovergrootmoeder broers en/of zussen? Waar leven die nu? Waar waren die in de oorlog? Wie van de familie is waar begraven. Als alles gewoon geregistreerd staat en er zijn documenten, is het natrekken of iemand Joods een kwestie van minuten. Maar bij mij komen de moeizame gevallen. Detective Jacobs wordt ingeschakeld. Percentage succesvolle opsporing? Rond de 80%! De ontbrekende 20% lukt niet omdat er totaal niets aan papieren of aanwijzingen te vinden zijn. En een gedeelte van hen blijkt ook gewoonweg niet Joods te zijn, maar hadden slechts een vermoeden in die richting of hoopten dat. En een zeer klein percentage heeft bewust geprobeerd om de boel op te lichten. Waarom? Kan een geldkwestie zijn, een erfenis, een uitkering of zomaar een kronkel in het hoofd. Ik herinner mij een geval van een mevrouw die bij hoog en laag beweerde dat haar ouders begraven lagen op de Joodse begraafplaats in Parijs, maar welke wist ze niet meer. Belachelijk dat ik haar niet accepteerde als Jodin. Na ettelijke maanden zeuren, zoeken, schrijven blijkt de moeder in Amersfoort te zijn gecremeerd en de mevrouw zo Joods is als de poes van mijn buren.

     

    Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
    Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op
    https://niw.nl/category/dagboek/