Niets bereikt, maar wel geluisterd. Dagboek van een Opperrabbijn 29 december 2020

Een ietwat saaie dag ligt in het verschiet. Het is nu 7:00 uur en dus de perfecte tijd voor mijn ochtendkoffie maar nog te vroeg voor het ochtendgebed. Mijn agenda is leeg voor vandaag en dus ben ik bezorgd wat te doen. Als ik helemaal niets dreig te moeten doen kan ik altijd nog gaan schrijven of bellen. Bellen naar mensen die eenzaam zijn is altijd, helaas, buitengewoon zinvol. En ook kan ik vooruit gaan schrijven. Dagboeken vooruit schrijven kan niet, want dan is het geen dagboek meer. Maar Rab&Rik moet ik zelfs vooruit schrijven want het moet optrekken met de Sidra-Schriftlezing van de week. Rab (dan ben ik) schrijft de levensles en Rik stelt daarop per keer twee vragen die ik dan weer moet beantwoorden voordat de week begint. Wellicht weet u niet wat Rab&Rik is, dan hierbij een korte uitleg zo overgenomen van www.cip.nl :

 

Gedurende het Joods jaar wordt de hele Thora gelezen in de synagoge. Opperrabbijn Jacobs deelt drie keer per week een wijze levensles aan de hand van het Schriftgedeelte van die week. Naar aanleiding van die les stelt Rik enkele vragen, waar de rabbijn weer antwoord op geeft. Rab en Rik is een boeiend initiatief waarbij je vanuit het oudste boek ter wereld lessen leert voor vandaag!

 

Ik lig inmiddels met vier weken voor op Rik en kan de voorsprong natuurlijk verder opvoeren. Er liggen ook nog twee lange e-mails die ik telefonisch moet beantwoorden. De ene schrijver is ziedend teleurgesteld op G’d en daarom indirect ook op mij. Waar was G’d in de Auschwitz? De schrijfster, een weduwe die in de jaren ’50 is geboren en haar problemen staan volledig los van de jaren ’40- ‘45, koppelt die vraag aan de woorden bij de schepping “Want Hij zag dat het goed was”: Mijn leven was een grote hel, maar Hij zag dat het goed was! E-mail-schrijver nummer twee vertrouwt mijn relatie met de christelijke wereld niet. Volgens hem word ik onbewust doelwit van een sluwe manier van bekering. Beide e-mailschrijvers geven aan ongelovig te zijn. Dat e-mail-schrijver twee dat zegt, begrijp ik. Maar dat e-mail-schrijfster nummer één dat verkondigt, kan ik niet goed plaatsen. Want als er dan volgens haar geen Schepper is, waarom dan boos worden op die Schepper?

 

Ik verlaat dit dagboek. Het is inmiddels klokke acht en dus tijd voor mijn derde kop koffie en het ochtendgebed. Tot straks!

 

Inmiddels heb ik een langdurig gesprek gehad met de weduwe. Uiteraard heb ik eerst heel goed geluisterd, haar de tijd gegeven, geen telefoontjes tussentijds opgenomen van derden. Ik was er voor haar. Heb ik wat bereikt? Denk ik dat ik haar boosheid heb kunnen wegnemen? Denk ik dat ze nu een gelovige vrouw is geworden? Heeft ze begrepen dat als G’d volgens haar überhaupt niet bestaat dat het dan ook niet aan de orde kan zijn om op Hem boos te worden? Geloof ik dat ik haar heb kunnen overtuigen van haar tegenstrijdige gedachtegangen? Neen, neen en neen. Maar, en dat verwacht u waarschijnlijk niet van mij, ik had ook niet de illusie om haar op andere gedachten te brengen. Waarom ik haar dan had gebeld? Ze wilde haar boosheid uiten, afreageren, aandacht en begrip. Die belangrijke aandacht heb ik haar mogen geven. Niet meer en niet minder. Ik was niet uit op resultaat. En wat zij verder met ons gesprek wil doen, is aan haar. Maar uiteraard heb ik haar wel met woorden toegesproken, we hebben gediscussieerd over haar boosheid richting G’d die voor haar dus niet bestaat. Wat heb ik kort samengevat gezegd?

 

Door de eeuwen heen heeft het Joodse volk vele ballingschappen moeten doorstaan. Vele keren stonden ze aan de vooravond van een nieuw en onbekend ballingschap. Steeds weer waren ze ervan overtuigd dat uiteindelijk ook aan dat ballingschap weer een eind zou komen. En ook ik, als individu, maak ballingschappen mee. Moeizame perioden in het leven. Hoe kijk ik tegen het voor mij liggende ballingschap aan? Ontken ik dat het eraan komt? Raak ik in paniek? Word ik suïcidaal?

De Thora brengt een levensles die van vitaal belang is. De les dat we voordat we proberen te begrijpen, er eerst van doordrongen dienen te zijn dat we niet alles kunnen vatten. Slavernij, intens lijden, ondragelijke pijn en verdriet kunnen wij mensen niet begrijpen. Maar we dienen er wel van doordrongen te zijn dat al dat van Boven komt in essentie goed is, ook als we er geen touw aan kunnen vastknopen. En die kracht om ondanks alles toch te aanvaarden, hebben wij van onze voorouders Awraham, Jitschak en Ja’akov meegekregen. Als rabbijn in een Psychiatrisch Ziekenhuis werd ik dagelijks met afschuwelijke geestelijke pijn geconfronteerd. Mensen die kampten met ziekten, dwangmatige stemmen hoorden, met onaanvaardbare spanningen thuis of op het werk, met huiselijke vetes, met kinderen die niet de weg bewandelen die hun ouders graag hadden gezien en met verlies van dierbaren. Mijn taak was om te helpen waar mogelijk. Wat ik leerde en leer ik nog steeds van al die misère? Van de meeste narigheid leer ik dat ik niet moet zeuren over mijn eigen pijn en dat ik zeker niet moet proberen om alles te willen begrijpen!

 

Met e-mail-schrijver twee heb ik nog geen contact gehad. Heeft ook minder haast, want hij lijdt niet, maar is bang dat ik ga lijden als ik me laat bekeren. Maar gezien ik me echt niet laat bekeren (alleen al niet omdat ik dan mijn baantje als opperrabbijn wel kan schudden) en mijn christelijke vrienden dat ook echt niet willen, bel ik morgen wel of overmorgen. Zijn er dan geen christenen die Joden willen bekeren? Zeker wel, maar die behoren niet tot mijn christelijke vriendenkring!

 

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op https://niw.nl/category/dagboek/