Sobibor anno 2021. Dagboek van een Opperrabbijn 2 maart 2021

Eigenlijk is er niets bijzonders te melden, maar na Poerim heel kort even rust en terug naar de gewone dagelijkse gang van zaken, de zoom cursussen en natuurlijk het Sinai-Centrum. Na in 2012 officieel afscheid te hebben genomen van het Sinai Centrum als Rabbijn en Hoofd Dienst Geestelijke Verzorging ben ik tijdelijk weer van stal gehaald om in te vallen voor enige maanden. Geeft een fijn gevoel om weer heel actief te mogen zijn in het bijstaan van mensen met grote problemen. Uiteindelijk ligt daar nog steeds mijn passie. Bij het ‘gewone dagelijkse’ is er dus ook weer veel gezeur en dus ook veel moois. Na het onverwachte verlies van onze oudste zoon en de zeer drukbezochte sjiwwe, zijn er nu velen die bellen en vragen hoe het met ons gaat en op bezoek komen.  Dat steunt en geeft een heel fijn gevoel en doet ons ook beseffen hoezeer een simpel telefoontje waardevol kan zijn. En dus ben ik zelf weer even wakker geschud om aan de telefoon te gaan, want, als ik eerlijk ben, was ik toch duidelijk minder gaan bellen. Dat was niet goed! Maar te laat bestaat niet en dus ben ik weer gaan bellen naar mensen die alleen zitten en zich wellicht geïsoleerd voelen. Bezoeken afleggen wil ik nog even uitstellen. Ik wil zelf niet besmet worden, maar ook anderen niet besmetten en hoop snel gevaccineerd te kunnen worden. Ik heb natuurlijk wel een lastige leeftijd: ben jonger dan 80 en ook niet tussen 60 en 65. Als ik het aan mijn kinderen in het buitenland moet uitleggen, snappen ze er niet veel van. Maar je bent toch 70-plus, is hun reactie.

 

Het gewone ‘gezeur’ is een onbeschofte e-mail van een medewerker die kennelijk met het verkeerde been uit zijn bed was gestapt en daardoor een e-mail produceerde waarvan de honden geen worst lusten. Ik hoop dat hij zich naar zijn leden genuanceerder kan uiten.  Dan gisteren een niet-joodse man die echt een gigantisch probleem heeft en mijn hulp inroept en met wie ik bijna een uur een zoom gesprek heb gehad. Waarom is dit gezeur? De man zeurde helemaal niet, maar ik had het gevoel dat ik hem niet kon helpen en dat stoort mij dan en voel ik dat ik mijn tijd heb verkwist en dus was het gesprek ‘gezeur’. Maar toch ontving ik vanochtend een heel vriendelijke e-mail waarin hij mij aangaf dat ons zoom-gesprek hem echt heeft geholpen. Voor de goede orde: natuurlijk ben ik er primair voor de Joodse Gemeenschap, maar uiteraard kan ieder medemens een beroep op mij doen, want uiteindelijke moeten we allen er voor elkaar zijn. Zoals wellicht bekend ben ik lid van het Algemeen Bestuur van het OJEC, Overleg Orgaan Joden Christenen. Maar er bestaat ook een Overleg Orgaan waarin Joden, christenen en Islamieten zitting hebben. Ik was daar voor het eerst participant en mocht een verhaal afsteken over de plaats van Jeruzalem binnen het Jodendom. Je voelt dan duidelijk de beperking van Zoom en het ontbreken van de fysieke aanwezigheid. De echte ontmoeting bouwt bruggen, de zoom ontmoeting is wat betreft het tot elkaar komen niet meer dan een slecht surrogaat. Maar toch was het beter om een surrogaat te hebben dan niets. Ik dacht aan de Zesdaagse Oorlog waarin de Arabische landen tot doel hadden de uitroeiing van het Joodse volk, van Israël, nog maar zo kort na de Sjoa.  Maar hier kan, wil en mag je niet alle moslims op aanspreken. En dus is het goed om samen te komen. Maar een dag na de zoom vergadering heb ik echt zitten huilen. Ik huil niet zo snel, eigenlijk nooit, maar nu dus wel. Wat gebeurde er? Via de Stichting Sobibor ontving ik een link naar de “Vergeten interviews van Jules Schelvis”. De interviews met de mensen die in Sobibor hebben deelgenomen aan de opstand. Ik hoor een van hen, Chaskiel Minche, in het Yiddisch vertellen hoe hij op de eerste dag na aankomst aan een van zijn medegevangenen aangaf dat hij wilde weten waar zijn vrouw en zijn zoontje konden zijn. Zijn medegevangene wees hem op de rook die verderop opsteeg uit een van de schoorstenen, terwijl hij dacht dat ze nog leefden. Ik zie de leider van de opstand, Alexander Aronovitsj een Joodse soldaat uit het Russische leger. Die held leefde tijdens de opname van het interview door Jules Schelvis in grote armoede in de USSR. Hij mocht Rusland niet uit omdat hij zich in 1942 had laten arresteren door de moffen en dat gold in de USSR als een doodzonde, speciaal omdat hij een Jood was. We zien dan op een gegeven moment een aantal mensen aan tafel zitten. Allen overlevenden. Allen hun meest dierbaren verloren. De leider staat op, iedereen gaat staan. Hij heft het glas en roept op om al hun kameraden die het niet hebben overleefd te herdenken. ‘Houd op met zeuren over gezeur. Stel je niet aan over corona’, zeg ik tegen mezelf. De tranen springen me weer in de ogen, de emotie overmant me.

 

Gedurende coronatijd houdt Opperrabbijn Jacobs een dagboek bij voor het Joods Cultureel
Kwartier. NIW publiceert deze bijzondere stukken dagelijks op
https://niw.nl/category/dagboek/